acceptatie

Moed voor de lieve vrede

Vrede? Oké, vrede. De moeders van de twee jongens zijn nu tevreden. Ze hadden ons aan het oor mee terug naar buiten getrokken en tegenover elkaar gezet. De twee jongens (één van hen was ik) staan tegenover elkaar en kijken naar hun voeten. Ze hadden gevochten. Twee boezemvrienden die mot hadden. En dan maakte je dat dus goed door vrede te vragen. Ik herinner me dat nog goed. Vrede is niet meer vechten. Vrede is zand erover.

Die herinnering aan hoe ik vroeger ruzies met mijn boezemvriend eindigde kwam vanmiddag ineens bovendrijven. Kon het altijd maar zo eenvoudig zijn. Konden  oorlogen maar op die manier worden beëindigd. Kon ik op die manier maar mijn relatie redden.

Vrede, zuiverheid, liefde, kracht en geluk. Als ik het goed onthouden heb zijn dat de vijf basis-elementen van je ziel. En als ik het niet goed onthouden heb, vind ik het sowieso eigenlijk wel een mooi stelsel van woorden. Iemand die me helpt om mijn evenwicht te bewaren wees me op dit stelsel. Ze vroeg me over welk woord ik een vraag zou kunnen hebben. Ik kwam uit op vrede want daar voel ik me het van binnen het meest rumoerig.

In het vijftal staat vrede voor harmonie, respect en rust. En als je er dieper over nadenkt komen ook woorden als open, natuur, luisteren en evenwicht naar boven drijven. Na een tijdje filosoferen kwam ik erachter dat ik intuïtief best veel goeie dingen over vrede kon noemen. Maar zo gaat dat bij veel dingen bij mij. Ik kan alles heel mooi beredeneren, maar echt begrip komt veel later. Als het bezinkt bij me.

Toen we Vrede samen hadden uitgediept moest ik een vraag bedenken over Vrede. Die innerlijke vrede. Mijn innerlijke rust en evenwicht. Een vraag die me bezig houdt is hoe ik in evenwicht kan blijven wanneer ik de wind van voren krijg. Wanneer ik me aangevallen voel. Wanneer mijn hoofd een slangenkuil dreigt te worden. Met die vraag in mijn hoofd mocht ik een kaart trekken. Bewust nam ik niet de middelste, maar eentje een stuk rechts daarvan.

Brave

Moed. Raak. Om in evenwicht te blijven moet ik de moed niet verliezen. Die moed heb ik nodig om bij mezelf te blijven. Moed om mezelf accepteren, en de ander. Moed om de ander aan te kijken en kalm te blijven, zacht te zijn. Moed voor de lieve vrede.

Advertenties

Acceptatie

De taalpietlut (niet te verwarren met de kommaneuker) in mij probeert de wereld te begrijpen vanuit de letterlijke betekenis van woorden. Dat is nou eenmaal zoals mijn hoofd werkt. Dat is één van de vele normaalheden (normaal is het nieuwe bijzonder) van mezelf die ik probeer te accepteren. Maar hoe werkt dat nou eigenlijk, acceptatie? Wat betekent het überhaupt.

De Van Dale pak ik er nu maar niet bij. Deze moet ik met mijn gezonde verstand wel kunnen kraken. Accepteren is toch eigenlijk niets meer dan aanpakken wat iemand je geeft? De manier van geven laat nog wel eens te wensen over. Zoals in je schoot werpen, in je maag splitsen of voor je voeten werpen. De ander was wanhopig en moest er hoe dan ook vanaf en jij vormde op dat moment een handige ontvanger. Dat op zichzelf moet je dan ook maar gewoon accepteren.

Niet accepteren is dan zoiets als het paard terug duwen naar de gever. Je keek in de bek (ja ja, het is eigenlijk een mond) van het paard en wat je zag beviel je helemaal niet. Vlieg op met je stomme paard! Maar wat nou als het paard al heel lang onderdeel van jezelf is? Aan wie moet je dat paard überhaupt terug geven? Je hebt wel een vermoeden van de oorsprong van je paard, maar dat gaat generaties terug. Van een geërfd paard kom je dus niet af en zit er dus eigenlijk maar één ding op: acceptatie.

Bij het accepteren van jezelf zoals je bent heb je dus niet de luxe van het bestuderen van het gebit van het betroffen paard. Het is zoals het is. Dit imperfecte paard is een deel van je. In mij galoppeert en steigert een nukkige hengst die graag komma’s neukt. Niet perfect, maar ik span hem af en toe toch graag voor mijn blog-karretje. Ik heb dit paard dus geaccepteerd. Gelukkig is niemand perfect. Jij ook niet. Accepteer het maar gewoon.

Eikel met Wortelnijd?

In Zweden zag ik deze monumentale eik. De boom is ontzagwekkend dik. Op het oog minstens twee meter. Het ventje (mijn zoon) dat er een beteuterd naast staat zou met gemak languit kunnen liggen in de boom. Iemand vertelde me dat de eik meer dan 500 jaar oud is. De eikel waaruit deze boom is ontsproten schoot dus ergens aan het eind van de middeleeuwen wortel. 

De eik staat op het terrein van een oude en beetje vervallen camping aan het grote Vänern-meer. We staan er met onze tent tussen dikke, bejaarde berkenbomen (en dikke, bejaarde Zweedse campeerders die alleen uit hun dikke caravan kwamen om óf naar de wc te gaan óf het gras om hun caravan te maaien). ’s Nachts zou het er heel stil zijn als de aftandse ijscovriezer in het kiosk-gebouwtje niet zo bromde. Het bromde niet heel hard, maar draaide niet continu. Als de vriezer zich uitschakelde werd de stilte even hoorbaar, tot het kreng weer aan sprong.

Toch sliep ik er heerlijk en in de laatste nacht op de camping had ik een bijzondere droom:

Ik loop midden in de nacht blootsvoets in een dun, hagelwit gewaad door een dicht woud van spierwitte berken. Het is heel helder en bijna volle maan. Mijn adem beslaat, maar ik heb het niet koud. Ook is het doodstil. Ik hoor geen enkel geluid behalve mijn eigen ademhaling en het gedempte ritselen van mijn eigen voetstappen in het zachte mos. Door de bomen zie ik het spiegelgladde wateroppervlak van het meer. Vastberaden loop ik in de richting van het meer. Het woud wordt minder dicht, en de berken worden steeds dikker.

Dan gebeurt het. Ik kom steeds moeizamer vooruit. Het kost me steeds meer moeite om mijn voeten op te tillen. Ik kijk naar mijn voeten. Ze zijn spierwit en zien er pezig uit. En het gewaad dat ik draag lijkt wel van spinrag. Het hangt in losse flarden om me heen. Steeds moeilijker kom ik vooruit. Mijn voeten komen steeds vaster in de grond te zitten en mijn benen worden steeds zwaarder en stijver. Er steekt een zachte, koele bries op vanaf het water. De raggen om mijn lijf waaien helemaal van me af, maar ik voel geen kou. De berken om me heen fluisteren geruststellend: “Shhhhhh, het is goed. Shhhhhhh”.

Op enkele meters voor de waterkant kom ik tot stilstand. Ik kom nooit meer vooruit, weet ik, maar ik voel me volkomen op mijn gemak. Ik kan me bijna niet meer bewegen. Ik kan mijn armen nog één keer optillen. Ik kijk naar mijn linkerhand, maar zie een dikke tak. Mijn rechterarm is ook een tak. Ik verander in een eik. Dat wat ooit mijn voeten waren zit ergens heel ver onder me, diep in de aarde. En dan groeien mijn ogen dicht en de wereld verstomt. Eindelijk zíe ik. Opgelucht blaas ik mijn longen leeg. Alles is goed.

Rare droom vol clichématige symboliek. Ik onderga in mijn droom gelaten een metamorfose die ik best griezelig vind. Mijn interpretatie is dat ik de eindigheid van het leven niet moet bestrijden, maar juist omarmen. Moet ik loslaten om echt goed te kunnen wortelen? Moet ik me ontdoen van omhullingen omdat ze me belemmeren te voelen? Moet ik mijn ogen en oren sluiten om echt te kunnen zien? Of ben ik gewoon een eikel met wortelnijd?