ego

Autoriteit

Wanneer ben je eigenlijk een autoriteit? Je hoort wel eens zeggen: die persoon is echt een autoriteit op het gebied van zus of zo. En “zus of zo” kan van alles zijn,  van kantklossen tot de werking van onze hersenen. Als we het niet weten, dan wenden we ons tot “de autoriteiten”. Op hun beurt komen die autoriteiten met een zeer overtuigend gebracht advies. Je huisarts is zo’n autoriteit. We vertrouwen ons hele leven aan toe aan de huisarts. Hoe vaak mijn huisarts me al heeft geadviseerd om het nog een weekje aan te zien met een doosje paracetamol… Ach, autoriteiten zijn ook maar mensen die zich kunnen vergissen.

Nu even over autoritair gedrag. Dat staat namelijk los van het feit of je een autoriteit bent op wat voor gebied dan ook. Ik kan dat weten want ik ben een soort autoriteit op autoritair gedrag. Nou ja, eigenlijk niet, want dan zou ik me niet zo gedragen. Mijn vrouw is wel een echte autoriteit op dit gebied, want zij adviseert mij zeer overtuigend dat ik met mijn autoritaire gedrag maar beter kan ophouden als ik het respect van haar zelf en mijn kinderen wil verdienen. Als ik me verdraagzaam en geduldig opstel, krijg ik met minder energie meer voor elkaar. Als ik rustig overleg en uitleg in plaats van te  commanderen als een generaal, stuit ik op veel minder weerstand en blijft het veel gezelliger. Dit adviseert ze me al jaren. Maar ik ben nogal onverbeterlijk.

Het ligt aan mijn opvoeding. Mijn vader was een absolute dictator: hij was de baas en iedereen moest doen wat hij wou, we mochten hem niet tegenspreken, hij had gelijk en daarmee basta. Het kon niet zo zijn dat ik iets beter dacht te kunnen of weten dan hij. Snotneuzen kunnen niks en weten niks. Natuurlijk heb ik dat altijd ontkend. Daarin werd ik gelukkig ook hard aangemoedigd door mijn lieve moeder. Ondanks dat ben ik er wel door beschadigd. Mijn drang om me telkens te bewijzen richting mijn vader werd een obsessie. Mijn ego is er door misvormd geraakt. Het resultaat: dictator 2.0. Het verdriet kreeg nooit een plek, vandaar mijn gebrekkige empathische vermogen.

Nee, een autoriteit op het gebied van autoritair gedrag ben ik beslist niet. Wel op het gebied van het ontkennen ervan. Overigens ben ik vooral een autoriteit op het gebied van woorden. Maar niet op het gebied van daden. Ik onderga al het geruzie thuis gelaten en vanaf een afstand. Ik ben de passiviteit zelf meer dan zat. Ik zet nu grillige stappen, omdat ik voel dat ik iets drastisch moet doen. Het maakt niet uit wat, als het maar drastisch is. Een cursus grunten lijkt me dus wel iets. Of ik sluit me aan bij een heksenkring. Niets zo heilzaam als een duivels ritueeltje toch?

Advertenties

Eigenlijk Gigantisch Onbelangrijk

Ego’s kunnen belachelijke afmetingen aannemen. Onhandelbaar groot zijn ze dan. Je kunt er geen land mee bezeilen. Opgeblazen ego’s zijn niet voor rede vatbaar. Je kunt ze het beste maar laten blazen tot ze zijn leeggelopen. Laat ze maar sissen. Of je prikt er een gaatje in zodat het wat sneller gaat. Kinderen hebben dat heel snel door.

Mijn eigen ego is ook bepaald niet bescheiden, vooral thuis. Het staat ook altijd op nummer 1, en laat zich ook niet van die plek verdrijven. Van pure nijd laat het zich telkens gelden. Uit angst voor weerwoord en opstand. Uiteraard werkt het averechts en oogst ik precies wat ik zaai: opstandigheid in plaats van respect.

Vandaag vroeg iemand mij: waarom is jouw ego eigenlijk belangrijker dan dat van je kinderen? Daarop had ik geen antwoord. En dat is ook logisch, want er ís geen antwoord op.

De enige die belang heeft bij mijn grote ego ben ik zelf. Het is puur eigenbelang. Je ego is je baatzucht. De rest van de wereld is er niet bij gebaat. Mijn ego is een illusie die ik heb gecreëerd om de aandacht af te leiden van mijn kwetsbare kant. Het is een masker waarachter een gezicht met betraande wangen schuilt. Het gezicht van een onzekere man en een miskende zoon van een vader die ook zo’n masker droeg.

De conclusie is dus eigenlijk dat ik zelf ook niet gebaat ben bij mijn grote ego. Hoe minder ik het laat gelden, des te gelukkiger ik me voel. Minder = meer. Mijn ego is eigenlijk gigantisch onbelangrijk. Nu nog de moed en kracht, nee, oerkracht, om dat verrekte masker voor goed af te werpen.   the-mask-psd85195

Wegens ruimtegebrek te koop: Mammoetego

13210

Mijn vrouw zou zich er denk ik  meteen voor opgeven als iemand op het idee zou komen voor het TV-programma “help, mijn man heeft een te groot ego”. Eigenlijk ging “help mijn man is klusser” ook al over XL ego’s. Ik ben geen klusser, maar mijn ego is alles overheersend groot. En bovendien harig, met enorme slagtanden. Misschien moest ik hem ook maar op marktplaats zetten. Er is gewoon geen ruimte meer voor. Mijn gigantische mammoet-ego zit de ontwikkeling van de egootjes van mijn kinderen danig in de weg. Bij Staatsbosbeheer weten ze ook dat je grote bomen moet snoeien, of zelfs kappen om te zorgen voor licht en ruimte voor de groei van jonge boompjes.

Dus ik moet van mijn mammoet-ego af. Een drastische verkleining is ook goed. Bestaat er een dieet voor overgewichtige ego’s? Kaal scheren kan natuurlijk, maar een kale mammoet is nog steeds een mammoet. Is er al een chirurg gespecialiseerd in egotomieën? Kan die niet even de mammoet bijsnijden tot teddybeer-formaat? Misschien kan zij (of hij) mijn mammoet-ego dan nog als alter ego laten zitten voor op het werk, want daar komt ‘ie wel goed tot zijn recht. Lijkt me veel handiger: een groot, harig, autoritair alter ego met slagtanden voor op het werk, en een rustig, bescheiden en geduldig teddybeer-ego voor thuis. Ik weet zeker dat het daar thuis een stuk gezelliger van wordt.

Good to greater

Gisteren ondergingen mijn collega’s en ik een teaminterventie onder de titel “From good to greater”. Ons gedrag moest worden bijgesteld. Niet dat we verkeerd bezig waren, daar niet van. We gedragen ons al good. Maar het kan greater. En om greater te zijn, moeten we meer samenwerken en dus meer verbinden.

Daarom moesten we (als onderdeel) met ons 15-en op een vel plastic van 1 bij anderhalve meter gaan staan en ons inleven dat we op een reddingsvlot stonden, midden op een stuk zee vol hongerige haaien. Helaas was het vlot op zijn kop in het water gekomen en stonden wij dus op de onderkant van het ding. Alle spullen zoals medicijnen, water en dergelijke bevonden zich dus onder onze voeten. Aan ons de schone taak om het vlot om te keren zonder dat er iemand naar de haaien ging, en graag snel een beetje.

Daar stonden we dan ineens oncomfortabel dicht op elkaar (letterlijk een groepsknuffel) en moest er een strategie worden verzonnen om het vlot te keren zonder de haaien te voeren. Om een lang verhaal kort te maken kan ik melden dat we met z’n allen door de haaien zijn opgevreten. Positief was dat we daarvoor wel kalm bleven en snel tot een door ons allen gedragen plan kwamen en daarop acteerden. Het leiderschap werd geprezen door de cursusleiders. Dat het plan mislukte is bijzaak.

Dus als team hadden we iets dergelijks kunnen overleven als we greater waren geweest. Om greater te worden moeten we ons ook veiliger voelen om elkaar aan te spreken op dingen die beter kunnen. Dus we gingen oefenen in het geven van positieve feedback. Dat doe je bij voorkeur met een snufje zout. Ongezouten opmerkingen schrikken af en vergroten afstanden tot elkaar. Niet goed voor de verbinding dus. Ik heb nu dus altijd een zoutvaatje in mijn tas zitten.

Tot slot werd mij en mijn collega’s gevraagd om eens op te schrijven wat je aan je eigen gedrag zou willen veranderen (wat ga je anders doen, waar stop je mee) en wat jij voor je collega’s wil gaan betekenen. Een ik-plan om van good naar greater te komen.

Nu praat ik nogal veel en ben, als ik er al ben, altijd sterk aanwezig. Als ik praat luister ik niet, en als ik luister dan denk ik te hard. Dit heeft te maken met de afmetingen van mijn ego, een groot zelfvertrouwen en een te vol hoofd. Gek genoeg gaf niemand mij gisteren dat als feedback. Misschien durven ze niet, of denken ze dat ik toch niet luister. Op zichzelf vormt dat voor mij al feedback. Lijfelijk bereikbaar zijn voor mijn directe collega’s is voor mij een grote uitdaging, want zij zitten allemaal in Den Bosch en ik woon met mijn gezin in Dwingeloo. Mijn ik-plan is daarom als volgt:

Mijn Ik-plan:
Ik ga actiever luisteren. Vooraf even mediteren om het hoofd te legen.
Ik ga meer vertellen, maar minder praten.
Ik ga mijn aanwezigheid verkleinen terwijl ik mijn aanwezigheid maximaliseer (minder op de voorgrond, beter bereikbaar).
Ik ga me nog meer openstellen voor de meningen van mijn collega’s. Ze mogen zelfs het geven van feedback op een ander, oefenen bij mij.

Lief Temperamentje

Felle, blauw ogen
vol vuur en verontwaardiging
kijken vanonder de mooiste wimpers
woedend naar me op
Mijn lief temperamentje
is weer eens boos op me

Haar zachte gezichtje
staat op ontploffen
Van aangedaan onrecht
pruilt haar kleine mondje
Mijn lief temperamentje
kan me weer niet uitstaan

Ze gromt gevaarlijk
Slaat haar kleine armpjes
dreigend over elkaar
Nog even en ze spat uiteen
Mijn lief temperamentje
schopt me bij kans naar de maan

Ze perst kokende tranen
uit haar ziedende oogjes
als blikken konden doden
vertelde ik het nu niet na
Mijn lief temperamentje
komt stampend op me af

Haar fantastische ego
tegenover die van mij
Weerloos als ik ben
spreid ik vertederd mijn armen
Mijn lief temperamentje
stort zich er snikkend in

Handdrukduel

Een nieuw gezicht neemt mij op als ik de vergaderkamer binnen stap. Ik zie nieuwsgierigheid en verwachtingen. Van mijn leeftijd, zo schat ik. Dus ben ik meteen tot je-en-jijen geneigd. Hij staat meteen op van zijn stoel en zet een stap in mijn richting. Zijn rechter hand maakt een royale zwaai naar achteren en omhoog, om vervolgens zijwaarts op me af te duiken. Theatraal blijft de hand voor me in de lucht hangen. Het breeduit glimlachende gezicht van de aanbieder kijkt me met afwachtende blik aan.

Ik kijk de man rustig en (hopelijk) nieuwsgierig aan en steek twee tellen later mijn hand recht naar voren en neem de aangeboden hand aan. Normaal gesproken moet er voor een handdruk die prettig is voor beide partijen een zeker contactoppervlak zijn tussen de twee handen. De duim-oksels moeten lekker tegen elkaar sluiten en de handpalmen op elkaar. Dat lijkt mij de algemeen geaccepteerde handdruk. Maar de ander denkt daar duidelijk anders over. Al voor ik mijn duimoksel tegen de zijne heb, knijpt hij zijn hand dicht waarbij zijn vingers een rechte hoek met de rug van de hand maken. Een ongemakkelijke handdruk is het resultaat. Ik voel autoriteit gemengd met onzekerheid. Ik knijp terug en zorg dat hij zijn hand pas los kan laten als ik mijn naam heb uitgesproken. Hij moet zelfverzekerde autoriteit voelen van mijn kant. 

In het gesprek dat dan volgt blijken we mentaal toch elkaar’s gelijke. Er woedt een beschaafde egostrijd waarin we – ongemerkt voor de anderen aan tafel – schermen met kennis en ervaring. Een waardige opponent ondanks de hoekige handdruk. Ik zie uit naar het volgende duel.