filosofie

Zwarte Zwanen

zwarte zwaan

De Nederlandse ontdekkingsreiziger Willem de Vlamingh zag in de 17e eeuw, in zijn ontdekkingsreis door West-Australië, als eerste Europeaan een zwarte zwaan. Voor die ontdekking waren we ons in Europa niet bewust van zwarte zwanen. De zwarte zwaan is een symbool voor onbekende kennis en onvoorspelbare gebeurtenissen.

Dit gegeven vormde op zichzelf voor mij ook een zwarte zwaan. En als ik erover nadenk, kom ik regelmatig zwarte zwanen tegen. Het zijn altijd verrassingen, want dat is inherent aan de betekenis. Die verrassingen kunnen positief en negatief zijn. Ik werd me bewust van het bestaan van deze metafoor door het lezen van het boek “Risk Intelligence” door Dylan Evans. Kort gezegd gaat dat boek over de intelligentie die je gebruikt bij het wagen van een gok waaraan risico’s kleven.

Evans ziet het maken van keuzes als het maken van een afgewogen gok. Gokken kun je doen op allerlei niveau’s. Variërend van het mee uit vragen van iemand op wie je een oogje hebt met het risico op een blauwtje, tot het binnenvallen van een land vanwege vermeend bezit van massavernietigingswapens met het risico op vergrootte destabilisatie in die regio. Bij het wagen van een gok zou je volgens Evans de plussen en minnen van de gok zo goed mogelijk moeten uitdrukken in percentages. Hoe waardeer je de uitkomsten en de kosten van je gok? Hoe schat je de kansen van slagen en falen in?

In zijn boek gebruikt Evans trouwens het binnenvallen van Irak door de Amerikanen over de het vermeende bezit van WMD’s (Weapons of Mass Destruction) door Sadam Hoessein, als voorbeeld van een slecht afgewogen gok. De uiteindelijke kosten wogen niet op tegen de uiteindelijke uitkomsten. Amerika heeft de situatie in het Midden-Oosten, in tegenstelling tot de verwachting van de Amerikaanse regering destijds, gedestabiliseerd. Althans, volgens Evans. En dat is ook een belangrijk punt: verschillende mensen schatten kansen verschillend in. Mensen hebben verschillende achtergronden, kennisniveaus en risico-intelligentie-niveaus.

Bij het wagen van een gok moet je je kennis over de zaken die van invloed zijn op de uitkomst van de gok, zo goed mogelijk gebruiken. Hoe meer je weet, des te beter je de gok afweegt, en des te zelfverzekerder je de gok durft te wagen. Het is belangrijk hoe goed je weet wat je weet en hoe goed je weet wat je nog niet weet.

En hoe zeer ben je je bewust van vragen die je nog niet hebt gesteld? Dit zijn de zwarte zwanen van je gok. De zwarte zwaan is symbool voor de kennis over de zaken waarvan je nog niet weet dat ze invloed hebben op de uitkomst van de gok. De zwarte zwaan helpt voorkomen dat je te overmoedig en zelfs roekeloos wordt. Zwarte zwanen zijn vrijwel altijd dingen die je later, na de gok gewaagd te hebben (of juist niet!), doen zeggen: “als ik dat had geweten, dan…”.

Advertenties

Onderbewust geheugen

Heb je dat ook wel eens, dat je op een route die je al heel vaak gelopen hebt, ineens bent waar je heen liep? Dat je diep in gedachten was tijdens die wandeling, maar dat je benen automatisch in de goeie richting liepen?

Bij mij zorgt de gestage cadans van mijn stappen trouwens sowieso voor het op gang komen van diepe gedachten. Zo diep raak ik erin verzonken, dat ik bekenden van mij, die mij onderweg tegen komen, niet zie of hoor. Dit gebeurt vooral als de route erg vertrouwd is voor me. Zoals de looproute naar het station, of de door mij platgelopen paden in de bossen om mijn woonplaats. Op de fiets werkt het ook, en zelfs in de auto. Mijn benen en mijn neus weten feilloos de weg.

Zo liep ik ook wekelijks van perron 14 naar perron 10 op Centraal Station Zwolle. Automatisch stapten mijn voeten richting de loopbrug over de sporen. Stap, stap, stap, omhoog op de trap met de meute mee, wie het denk ik net zo verging. Ik herinner me de holle klank van mijn voetstappen op die loopbrug: klomp-klomp-klomp. En bij spoor 10 liep ik vanzelf weer naar beneden. De herinneringen aan de wandeling zelf zijn een waas. Ik zou mijn bloedeigen moeder voorbij gelopen zijn. Door dat automatisme en mijn staat van “half-trance” nam ik ooit ook eens de verkeerde trein toen ik een keer niet naar Arnhem moest. Belangrijke geluiden kunnen me trouwens wel uit die half-trance halen, zoals de klanken uit de omroepinstallatie van de NS.

Het duurt ook een tijdje voor zo’n automatisme ontstaat bij me, want ik loop nog steeds heel alert door de nieuwe ondergrondse tunnel van station Zwolle. De loopbrug was er op een dag ineens niet meer. Bevlogen vanuit mijn onderbewuste geheugen zweefde ik al een stuk of 10 treden boven het perron voor ik het door had. Gelukkig zweefde dat geheugen voor me uit, want ik herinner me geen harde landing.

Duiken in ’t diepe

Behoedzaam bestijg ik de steile, ijzeren trap. De verf op de treden bladdert af. De wind is kil en bezorgt me kippevel over mijn hele lijf. Maar mijn besluit staat vast. Resoluut klim ik verder.

Als ik boven ben kijk ik voor strak me uit en loop met kalme stappen naar voren. De duikplank kraakt en buigt een beetje mee. Ik loop helemaal tot het uiterste randje en laat mijn tenen erover heen grijpen.

Onder mij bevindt zich een zwarte, onmetelijke diepte. Het is onvermijdelijk dat ik erin duik, dus ik breng mijn armen naar voren en zak door mijn knieën. Lenig veer ik op en spring één keer omhoog en veer dan nog eens….en nog eens…en zet af.

Even zweef ik vrij als een vogel. Ik maak een prachtige curve tot ik verticaal ben. Dan strek ik me helemaal en breek loodrecht, zonder plons door het rimpelloze wateroppervlak. Ik schiet de diepte in.

Langzaam breekt het ijskoude water mijn vaart. Totdat ik tot stilstand kom. Om me heen is het gitzwart, maar ik zie nog wel mijn eigen spierwitte handen. Het voelt alsof de tijd hier stil staat, maar dat is niet waar. De tijd staat niet helemaal stil, maar is zo sterk vertraagd dat seconden wel minuten voelen.

Nee, uren. Ik raak gedesoriënteerd. Wat is boven en wat is onder? Alles lijkt zo onwerkelijk. Instinctief zoek ik naar licht. Heel ver weg ontwaar ik het en zwem er langzaam naar toe. Ik heb immers alle tijd.

Plotseling krijgt de tijd en de werkelijkheid weer vat op me. Met een ruk word ik uit mijn droomtoestand getrokken. Al mijn zintuigen gaan op scherp. Ik zie dat ik nog heel ver omhoog moet zwemmen, terwijl mijn zuurstof al bijna op is.

Met alle wilskracht die ik kan opbrengen dwing ik mezelf tot kalmte en onderdruk alle gevoel van angst, zo goed en kwaad als dat gaat. En ik ontstijg ook deze diepte. De laatste meters drijf ik als volleerd zwemmer naar boven.

Als mijn hoofd weer boven water komt haal ik diep adem en zwem naar de kant. Ik klim eruit en loop weer naar de duikplank. Hij lijkt wel hoger dan voorheen.

Olifantenstaartsoep

Als we het dan toch over metaforen hebben, dan mag deze niet ontbreken: de verorbering van een olifant. Een figuurlijke wel te verstaan (en voor alle zekerheid, want ik wil niet aangezien worden voor een olifantenstroper).

Als we bezig zijn een olifant op te eten, dan bedoelen we daar mee dat er iets op het menu staat dat heel erg groot is. Het is zo groot dat we ons afvragen hoe we het in hemelsnaam naar binnen moeten krijgen. We zien er letterlijk als een berg tegenop om aan de klus te beginnen.

In figuurlijke zin representeren olifanten grote, complexe en kostbare projecten. Zoals bijvoorbeeld een nagenoeg volledige herinrichting van het informatiesysteem-landschap van een grote organisatie met de randvoorwaarde dat de bedrijfsprocessen er geen enkele hinder van ondervinden.

De vraag die dan heel logisch wordt gesteld is: Hoe eet je een olifant? Dat is een zwaar filosofisch vraagstuk. Het standaard antwoord is: hapje voor hapje. Maar dat betekent toch niet veel meer dan: niet mopperen en stug dooreten? Volgens mij moet je toch eerst trek hebben. Enorme trek in een olifant.

Nu zou je natuurlijk de olifant eerst helemaal kunnen laten slachten en verwerken tot een halve vrachtwagen vol olifanten-biefstukken, olifanten-worsten, olifanten-karbonades, olifanten-gehakt, olifanten-medaillons en Joost mag weten wat nog meer, en deze opslaan in een enorme vriezer, maar dat is tegen de regels van deze metafoor. We moeten de volledige olifant achter elkaar opeten, en vaak ook nog in een zo kort mogelijke tijd.

Gelukkig mogen we de olifant wel met meerdere mensen tegelijk opeten. Dus je moet mensen vinden die trek hebben in olifant, een groot banket organiseren en dan met zijn allen in één keer die hele olifant verorberen. Klinkt ineens heel gemakkelijk en feestelijk, maar wat nu als de op te eten olifant nog gewoon rond loopt?

Sterker nog: de olifant moet zo lang mogelijk blijven leven terwijl we het opeten (de bedrijfsprocessen mogen er immers geen hinder van ondervinden). De strategie is dan om eerst de niet vitale delen van de olifant op te eten en het vitale deel te bewaren voor het laatst. Dat deel moeten we dan in zo kort mogelijke tijd op eten. Liefst in real-time natuurlijk zodat de olifant er niets van merkt.

Maar welk deel van de olifant is precies vitaal? Meer of minder dan 80%. Vast veel meer. Maar de staart is vast niet vitaal, dus het voorgerecht kan alvast bestaan uit een krachtige olifantenstaartsoep. Heerlijk!

Is winnen belangrijk?

Is winnen belangrijk? Ik dacht mijn eigen antwoord daarop te kennen. Ik dacht dus van niet. Ik dacht dat meedoen met het spel verheven moest zijn boven winnen. De reis achtte ik altijd belangrijker dan het doel. Prestatiedrang maakt niet gelukkig, dacht ik ook altijd. Maar ik ben mezelf vanuit een verrassende hoek tegen gekomen.

Ik was niet eerlijk naar mezelf. Presteren en winnen is toch belangrijker voor me dan ik mezelf altijd voorhield. Zeggen dat meedoen belangrijker is dan winnen vind ik een dooddoener. Winnen maakt meedoen voor mij gewoon leuker. Winnen is vooral leuk als dat komt door goede prestaties van jezelf en je mede- en tegenstanders. Verliezen is des te moeilijker verteerbaar als ik weet dat ik onder mijn niveau presteerde.

Gisteren moest ik presteren. Met een groep collega’s had ik een opleiding gedaan, en gisteren werd daarvan een examen afgenomen. Veertig meerkeuzevragen. Ik vond de vragen best pittig, al had ik genoeg tijd om alle vragen te beantwoorden. Van de 40 moet ik er tenminste 26 goed hebben om te slagen.

De meesten waren eerder klaar dan ik, maar ik had dan ook nog rustig de tijd die ik nog over had gebruikt om de antwoorden waar ik niet zeker van was nog eens na te lopen. Mijn gummetje kwam er hier en daar nog even aan te pas.

Toen ik ook helemaal klaar was had ik nog 5 minuten over. De groep collega’s die al klaar waren, zag ik samen koffie drinken, maar ik dook snel de lift naar beneden in. Geen zin om ze te spreken. Mijn kop voelde ook alsof het elk moment kon barsten. Ik snakte naar frisse lucht en eenmaal buiten ademde ik de heerlijke koude lucht gulzig in. En toen besloot ik maar gelijk de trein naar huis te pakken. Ik was helemaal klaar met alles.

In de trein dacht ik na over het waarom van mijn donkere stemming.
Wat nou als ik zak en de rest niet? – ging het door mijn hoofd.
Waarom maak ik me daar toch zo druk om? – dacht ik toen kwaad.

Als mijn kinderen balen en boos zijn omdat ze hebben verloren bij iets, dan hou ik ze altijd voor dat het niet om winnen gaat in het leven, maar om het meedoen. Zo probeer ik ze tenminste op te voeden. Alleen maar bezig zijn met en gericht zijn op winnen, dat maakt een mens ongelukkig.

Het examen viel me zwaar tegen, en ik ging ervan uit dat ik ervoor was gezakt. Dat vond ik op zichzelf niet het ergste. Het idee dat ik daarbij één van de weinigen zou zijn, werd ik dus chagrijnig van. Goed, het was een drukke week, en de koek was dus nagenoeg op. Ik draaide op de laatste kruimeltjes. Dat speelt zeker mee, maar toch verbaasde ik me over mijn eigen verslagenheid. Ik wilde niet bij de weinige verliezers horen. Ergens hoopte ik dat de hele groep zou zakken. Ik vind winnen dus blijkbaar belangrijk. Ik richt mij op winnen in plaats van meedoen.

Daarom bewonder ik de collega die mij mailde over de uitslag. Van de 15 collega’s waren er maar liefst 10 gezakt, waaronder hijzelf. Het was een “exam from Hell”. Mijn collega vatte het meesterlijk sportief op door te zeggen dat hij toch blij was dat hij heeft meegedaan:

Van groot belang is dat we in ieder geval het model begrijpen en dezelfde “taal” kunnen spreken. Ik ben dus toch blij met het resultaat (en dat is best knap, ben meestal niet snel tevreden…)

Hij richt zich dus op het meedoen en is nu voor mij een lichtend voorbeeld. Ik bleek toch bij de weinige geslaagden te horen, maar ik buig mijn hoofd nederig naar mijn wijze en nu nóg meer door mij gewaardeerde collega.

Graancirkels

graancirkels

Laatst moest ik ineens aan graancirkels denken. Het kwam door iets dat iemand tegen me zei in een e-mail. Zeggen en schrijven lopen vaak een beetje door elkaar. Zijn verhaal kwam er niet letterlijk op neer, maar ik haalde eruit dat we in ons dagelijkse werk allemaal netjes in een soort vaste kringetjes moeten lopen. En toen gebeurde het dus.

Ik zag ineens voor me hoe we allemaal, iedere dag graancirkels maken. Ieder in zijn eigen werkgebied. En ik bedacht dat je de patronen van de graancirkels helemaal niet ziet als je zelf in het graanveld loopt. Alleen vanuit de hoogte zijn ze zichtbaar. Hogerop zweven onze leiders. Zij overzien hoe wij onze graancirkels maken. Dat is hun werk. Zelf lopen ze natuurlijk ook netjes in vaste kringetjes, zoals aangegeven en aangemoedigd vanuit hun leider, die nóg hoger zit.

Een leider stuurt, begeleidt, moedigt aan en jaagt aan, vanuit een bepaalde overtuiging. De graancirkels moeten natuurlijk steeds beter worden. Mooier en groter. Want onze buren kunnen het ook, of juist nog niet. En we moeten ze steeds sneller kunnen maken.

Een leider moet soms moeilijke keuzes maken. Gelukkig zijn er adviseurs die inzicht geven in de keuzemogelijkheden en de gevolgen van die keuzes. Adviseurs draaien in hun eigen vaste kringetjes, zodat ze weten welke behoeften er zijn en wat er speelt. Hoe beter hun kringen, hoe meer invloed ze hebben met hun advies. Hoe hoger de kringen zijn waarin zij verkeren, hoe meer zicht zij hebben op de graancirkels, en hoe meer invloed ze hebben op de patronen die worden gemaakt.

Het gaat natuurlijk allemaal om samenspel en harmonie in het verwezenlijken van een hogere missie. Iedereen is belangrijk, van de top tot op de bodem. De vaklieden in het veld pletten de halmen steeds weer in de gewezen richting. De leiders daarboven bewegen hun mensen steeds weer in de gewezen richting.

De hoogste baas draait zijn dagelijkse rondje langs zijn directeuren. Hij heeft belangrijke informatie. Zijn adviseurs hebben hem ingefluisterd dat er een nieuwe wet aangenomen is welke bepaalt dat 40% van alle graancirkels vierkant dienen te zijn. En de buren zijn al bij 20%….

Onverdraagzaamheid – les 3 : “Vat alles persoonlijk op”

Dit is les 3 in de serie “onverdraagzaamheid in 10 stappen“, waarin je op cynische wijze leert jezelf te transformeren tot tiran.

Artsen zijn vaak moeilijke patiënten. Hoe meer kennis en ervaring (grotere autoriteit), des te moeilijker. Dit komt voort uit wantrouwen door kennis. De patiënt weet het beter dan de arts. Voor psychologen geldt dat denk ik nog wel het meest. Ik kan dat niet staven, maar ik weet zeker dat de drempel voor het bezoeken van een psycholoog voor psychologen veel hoger is dan voor niet-psychologen.

Een tandarts kan natuurlijk moeilijk zelf zijn eigen wortelkanaalbehandeling uitvoeren, net zo min als dat een chirurg bij zichzelf een bypass-operatie kan doen, maar voor een psycholoog ligt dat natuurlijk anders. De valkuil van de psycholoog is dat hij denkt dat hij/zij zichzelf objectief kan analyseren. Maar niemand kan zichzelf natuurlijk 100% objectief analyseren.

Het is weer dat mooie spreekwoord van de vuurtoren die hier opgaat: onderaan de vuurtoren is het donker. En ik voeg daar nu aan toe: hoe hoger de vuurtoren (hoe meer kennis), des te sterker is dat effect. De psycholoog kán zichzelf helemaal niet beoordelen, want door de grote hoogte van zijn vuurtoren van autoriteit komt het weinig strooilicht dat hij veroorzaakt zeker weten niet bij zijn (of haar) eigen voeten.

Autoriteit creëert afstand. Autoritaire mensen staan op grote afstand van anderen (het gepeupel). En dat is natuurlijk gunstig voor mensen met een dictatoriale inslag. Je duldt sowieso natuurlijk geen tegenspraak. Het is ook onlogisch dat anderen jou tegen willen spreken, want jij hebt altijd gelijk. Jouw normen, waarden en opvattingen zijn absoluut. Andere normen, waarden en opvattingen accepteer je eenvoudig niet. Jij bent onverdraagzaam.

Maar wat doe je met de tegenspraak die je ondanks je autoritaire en afstandelijke houding toch ontvangt?  Juist: heel persoonlijk opvatten. Alles dat ook maar enigszins lijkt op tegenspraak dien je heel persoonlijk op te vatten. Het is namelijk een directe aanval op jouw onmetelijke intellect. Dit moet je dan ook meteen de kop indrukken. Smoor het in de kiem. Hou iedereen in je omgeving zo klein en onwetend mogelijk, zodat de tegenspraak vanuit die omgeving niet kan optreden.

Een verhaaltje:

Een ogenschijnlijk normaal gezin bestaande uit pa, ma, broer en zusje, woonde in een leuke buurt waar iedereen zich veilig waande. Je kon je fiets gewoon buiten laten staan en vergeten op slot te doen, en dan stond het er de volgende ochtend gewoon nog. Maar op een dag was de nieuwe (tweedehands) fiets van zusje tóch gestolen. Ze was er helemaal ondersteboven van. Maar Pa kon haar alleen maar nalatigheid verwijten in plaats van begripvol te zijn.

Grote broer stond erbij en begon te koken van binnen. Er ontkiemde zich een hete uitbarsting van woede. Pa zag het gebeuren en keek hem met harde ogen aan. Toen zei hij smalend: “En jij houdt je mond maar snotneus!”. Weg kiem, alleen de dreun van de dichtslaande deur van zijn slaapkamer getuigde nog van zijn woede.

Onverdraagzaamheid – les 1: ontketen je innerlijke storm

Vanuit een soort omgekeerde filosofie wil ik onverdraagzaamheid meester worden. Dat bedoel ik heel letterlijk. Ik wil een vuurtoren zijn die ook het donker aan de voet beheerst. Dus schrijf ik een boekwerkje vanuit het perspectief van die toren, maar met een fikse portie cynisme dat benadrukt hoe donker het is aan de voet van die vuurtoren. Een antipatroon.

Eerst maar eens de definitie: Wat is onverdraagzaamheid? 

Onverdraagzaamheid is het vermogen afwijkende ideeën en gewoonten van anderen te ontkennen en af te wijzen.

Hitler was een ware grootmeester in onverdraagzaamheid. De duisternis aan zijn voeten slokte hem uiteindelijk toch op, maar zijn licht van intolerantie heeft diepe sporen achter gelaten. Onverdraagzaamheid is dan ook een key competence van dictatoren. 

Dit is maar voor weinigen weggelegd, en beoog ik ook niet met deze lessen. Maar de essentie is hetzelfde. Ik ga je leren hoe je effectief de ideeën en gewoonten van anderen kunt ontkennen en afwijzen.

Les 1: Ontketen je innerlijke storm

 

Voor maximale onverdraagzaamheid is het van belang om een bepaalde mate van opgefoktheid te creëren bij jezelf. Als je te kalm bent van binnen sta je te veel open voor andermans ideeën. Zorg dus dat je jezelf goed opfokt voor je de confrontatie aan gaat met je medemens in de samenleving. Het gaat hier niet om de anderen, maar vooral om jezelf. Het gaat om jouw zelf- en wereldbeeld. De beelden van anderen doen er niet toe.

Hieronder volgt een goeie oefening die je meteen in de praktijk kunt brengen. Gewoon thuis, aan het eind van een lange, drukke werkdag. Met deze oefening kun je je innerlijke dictator even lekker naar buiten laten komen in een veilige omgeving, namelijk thuis, bij je gezin.

Ben je er klaar voor? Hier komt het:

Randvoorwaardelijk voor deze oefening is dat je na een lange werkdag aansluit in een lange file. Desnoods rij je ervoor om. Zoek een flinke file op. Er zijn heel handige apps die je op je smartphone kunt installeren, die je precies kunnen zeggen waar die files zijn. Onderweg naar die file moet je jezelf alvast een beetje opfokken door je flink te ergeren aan het rijgedrag van anderen. Kleef stevig bumper en vloek en tier vanachter je stuurwiel. Zo kom je goed geagiteerd in de file. 

Uiteindelijk kom je murw en met rood omrande ogen uit die file en scheur je veel te hard door de bebouwde kom naar je huis. Neem even een moment in de stilte van je bolide om je innerlijke storm te voelen. Je bent een getergde orkaan. Voel het.

Dan stap je met gebogen rug uit. Smijt je portier maar dicht en loop naar de voordeur. Binnen hoor je de belachelijk vrolijke geluiden van je kinderen. Open nu de deur en treed binnen in je huis. Straal sterk uit dat je een ontzagwekkende pestbui hebt. Wees die onverdraagzaamheid. Jij duld geen tegenstand. Als je dit goed doet, valt er onmiddellijk een geladen stilte in huis. Geniet van die stilte. Dat is het effect van jouw licht. 

De duisternis aan je voeten bestaat uit angst, onzekerheid en verachting van je naasten. Maar die heb je dan ook wel verdiend.

Dit was les 1. Wellicht komen er meer. Wellicht was dit al voldoende om het echte licht te zien. 

Natuurlijk kopiëren we elkaar

Good artists copy, great artists steal. Een quote van Steve Jobs. De man was wel zo megalomaan dat hij iedere poging om zijn ideeën te kopiëren desnoods met kernwapens bestreed. Maar Steve’s ideeën waren natuurlijk niet origineel. Iedereen kopieert. Niets is echt origineel. Originaliteit is betrekkelijk en uit zich in de draai die de “artiest” aan het gekopieerde geeft.

Zelf beschouw ik het maar als een groot compliment als iemand iets van mij kopieert. Ik beschouw mezelf niet als artiest, laat staan een goeie. Maar kopiëren doe ik natuurlijk wel. Want ik ben beïnvloed door anderen. Mijn schrijfstijl heb ik niet zelf bedacht, maar van iemand overgenomen, omdat het vertrouwd is, of omdat het bij me past. Van meerdere iemanden waarschijnlijk, die op hun beurt ook zijn beïnvloed. Als ik me er bewust van ben dat ik iemand kopieer, dan vermeld ik dat. Dat vind ik wel zo netjes.

Ik kan wel een rijtje mensen opdreunen waarvan ik me bewust ben dat ze mij beïnvloeden, omdat hun stijl mij aanstaat. Zo hou ik van Herman Finker’s taal-ongerijmdheid. Maar ook van de absurde filosofieën van Terry Pratchett. Koot en Bie hebben mij absoluut sterk beïnvloed, maar ook Annie M.G. Schmidt. Niks hoogdravends, vind ik zelf. Ik hou niet van hoogdraverij. Ik draaf graag op aards niveau. Annie kon dat als geen ander, maar ook zij kopieerde, dat kan niet anders.

Het meest kopieer ik van mensen in mijn omgeving. En dat doen we volgens mij allemaal. Bewust en vooral onbewust. Mijn familie, vrienden en collega’s beïnvloeden me. Ik neem hun maniertjes, grapjes en ideeën over, want ik vind ze leuk. Tuurlijk geef ik er ook een eigen draai aan. Anderen nemen dat dan weer van mij over. Mijn kinderen bijvoorbeeld. Dat zijn ware spiegeltjes van mezelf, met een steeds groter wordend stukje eigen identiteit. Een identiteit die is opgebouwd uit allemaal van anderen gekopieerde stukjes. Zo ontwikkelen mensen zich: door te kopiëren. Heel natuurlijk, want het is ingebouwd in onze genen. Kopiëren is menselijk.

De inspiratiebron voor deze post: TED Radio Hour – “What’s Original?”