geloof

De Sint-stress is weer begonnen

Er wordt bij ons aan de keukentafel al weer druk over gepraat: Sinterklaas. Mijn tweeling gelooft nog heilig in Sinterklaas. Maar ze vinden het wel raar dat de pepernoten al in de winkel liggen. “Blijven die pepernoten dan wel zo lang goed tot Sinterkaas in Nederland is?”, vraagt mijn dochtertje. Haar tweelingbroer rolt met z’n ogen en zegt dan heel pedant: “Natúúrlijk wel joh! Weet je dan niet meer dat we laatst pas de pepernoten van vorigjaar hadden opgemaakt? En die waren nog gewoon goed!” Deze discussie vindt plaats als ik ’s middags op papadag met ze aan de lunch zit.

Op dit soort momenten vind ik het altijd erg leuk om eens wat proefballonnetjes op te laten om hun geloof te testen. Ik vraag: “Zou Sinterklaas het nou nooit eens zat zijn om al die stoute kinderen kadootjes te brengen. Hij is tenslotte al meer dan 500 jaar”. Ze vallen natuurlijk vooral over die “stoute kinderen”. Maar na een tijdje merkt mijn dochtertje toch op dat niemand 500 jaar kan worden, maar daar heeft ze een oplossing voor: Er komt gewoon steeds een nieuwe Sinterklaas die de Sinterklaas die nú Sinterklaas is uit de hulp-Sinterklazen kiest. “Hij kiest dan gewoon een Sinterklaas die nog niet zo oud is en heel goed meehelpt”, zegt ze vol overtuiging.

Maar haar broertje ziet nog en ander probleem: “Maar SInterklaas is toch de broer van de Kerstman?”. Daar had z’n zus niet aan gedacht: “O ja, ach, maar Sinterklaas bestaat tóch niet echt”. Maar haar broertje hoort dat niet, of wil het niet horen. Hij zegt: “Ik denk dat Sinterklaas dan gewoon alleen maar de beste vriend van de kerstman is, toch papa?”. Ik knik geruststellend: “ja hoor, ze zijn vast hele dikke vrienden”. Hoewel ik ze op dit punt een beetje gerust heb gesteld, leidt het gelijk tot een nieuw dilemma: Sinterklaas kán helemaal niet dik zijn, want anders kan het paard hem toch niet het dak op krijgen? En hoe kan het paard eigenlijk op het dak komen?

Hun rotsvaste geloof is al aan het afbrokkelen. Het is prachtig om te zien hoe de logica in hun hoofdjes langzaam terrein wint op de tegenstrijdigheden. Ik leg maar snel uit dat het ook geen gewoon paard is, maar een beetje een toverpaard die gewoon heel lichtvoetig is en nét niet kan vliegen, maar wel heel makkelijk op een dak springt. Ik wordt met grote oogjes vol ongeloof en ook lichte bezorgdheid (is Papa gek?) aangekeken. Maar mijn oudste zoon (die al lang is ingewijd in het grote geheim) komt me te hulp: “Ja, het is ook geen écht toverpaard, maar een paard dat niet zoveel last heeft van de zwaartekracht”. En dat gaat er in als peperkoek. 

Heel even denk ik dat de Sint-stress weer even voorbij is, tot mijn oudste zoon ineens aan zijn jongere broertje en zusje vraagt of ze ook weten waarom de Pieten zwart zijn. Hij vertelt ze vervolgens dat het komt door de schoorstenen. Maar mijn dochtertje slikt dat niet: “Nee joh, want dan zouden hun kleren toch ook allemaal zwart zijn?”. Gelukkig heeft ze ook een oplossing: “Zwarte Pieten worden gewoon helemaal zwart getatoeëerd, dat kan je er nooit afwassen!”, zegt ze triomfantelijk. Schitterend toch? 

Advertenties

Engelen der verloren voorwerpen

Je weet zeker dat je het ergens op zolder hebt zien liggen. Het zit beslist in één van de verhuisdozen. Toen je laatst zocht naar dat andere dingetje, kwam je het nog tegen. Maar waar precies? Meticuleus maak je alle dozen open en kamt ze zorgvuldig uit. Het ding dat je zoekt kom je natuurlijk niet tegen. Wél dat ene dingetje dat je laatst niet kon vinden, ook al weet je zeker dat je de doos waar je het nu in tegen komt zorgvuldig en systematisch hebt doorzocht.

Je weet ook dat je het uiteindelijk vindt, na veel te lang zoeken. Het ligt op het allerlaatste plekje waar je kijkt. In het volle zicht! Het helpt niet om dan in de omgekeerde volgorde te gaan zoeken, want de regel gaat altijd op. Altijd! Om gek van te worden. Hier zit de God der gezochte voorwerpen achter. Hij beschermt de dingen die niet gevonden willen worden, of zorgt er dan tenminste voor dat ze zo lang mogelijk onvindbaar blijven. Een heilige plaaggeest is het.

Nu kunnen wij zoekende stervelingen een beroep doen op de Engelen der verloren voorwerpen. Blijkbaar kunnen zij Hem in al Zijn allomtegenwoordigheid verzoeken de locatie van het verloren artikel te duiden als je het heel nederig verzoekt. Op miraculeuze wijze komt die locatie dan tot je, in een droom bijvoorbeeld. Ik parkeer die optie even bij de pogingen der wanhoop.

Het mooie is dat je je helemaal niet tot opperwezens hoeft te wenden. Als er namelijk iets is waar een gezocht voorwerp niet tegen kan is dat er niet naar wordt gezocht. Ga gewoon heel actief niet zoeken naar het verloren voorwerp. Wat uitstekend werkt is zoeken naar iets anders. Of ga gewoon lekker slapen. De kans is groot dat je ’s nachts ineens wakker wordt en denkt: “stom, het ligt gewoon in de garage, op die doos met al die kinderlaarsjes”. Niks wonderlijks aan.

Powered by ScribeFire.

Je sterft maar één keer. Toch?

Je leeft maar één keer, zeggen ze. Dus dan moet je er het beste van maken. Wat een dooddoener. Dan ben je steeds aan het vergelijken. Doe ik het wel beter dan hem (of haar)? Ik had “hem” voor het laatst gesproken toen ik nog volop puberde. Hij kon altijd alles beter dan ik, vond ik. Laatst zocht ik hem eens op op LinkedIn om te kijken hoever hij het had geschopt. Dat had ik niet moeten doen dus. Toch hoef ik geen herkansing.

Het leven is kort, zeggen ze. Dan kun je maar beter zo eerlijk mogelijk leven. Dan duurt het langer. Eerlijk gezegd geloof ik daar geen snars van. Geloven is sowieso niet mijn sterkste vaardigheid, moet ik je bekennen. Alles moet in de twijfel getrokken, en zelfs dat weet ik niet zeker. Alles is immers nogal veelomvattend, maar ook weer heel betrekkelijk. Ik kan toch onmogelijk álles in twijfel trekken. Daar is het leven gewoon te kort voor.

Over één ding twijfel ik nauwelijks: sterven doe ik maar één keer. Toch? Wacht even, ik leef natuurlijk wel voort in mijn kinderen. Zolang zij zich blijven voortplanten, leef ik onderhuids door. Mijn manier van denken gaat voor een deel over op mijn nageslacht. Wie denkt die bestaat, dat weet iedereen. Dus ook mijn manier van bestaan is dan erfelijk. Geleidelijk besta ik steeds minder naarmate mijn stukje genetisch materiaal steeds verder wordt gestekt. In die theorie sterf je dus precies zo vaak als je nakomelingen hebt plus 1. Nog een hele wilde denkstap verder is dan beweren dat de kerk het liefst zou zien dat je zo vaak mogelijk sterft. God, wat vergezocht. Weer een half uur van mijn leven verspild met dit geneuzel.

Powered by ScribeFire.

Lunchen met oersoep

Mijn oudste zoon leest nu op school (groep 5) over de oude Grieken. Mijn papadag is wat dit soort informatie betreft echt geweldig. Op die dag eten de kids tussen de middag hun bammetje lekker bij papa en overspoelen ze mij met alles wat hen bezig houdt. Deze keer zijn het dus de oude Grieken. Het begon met deze vraag: “Papa?”. Aan de manier waarop hij alleen dat al vroeg hoorde ik al dat er iets moois ging komen. Aan “Papa?” ging namelijk eerst een voorpretgiecheltje vooraf.

“Ja?”, antwoord ik. “Nou..um..weetje?”, gaat hij verder. “Neetje”, zeg ik automatisch. “Ja wat was er eerst, de kip of het ei?”, floept er nu uit. En daar komt de rest van de giechels. Het blijkt dus napret te zijn van iets waar hij in de klas die ochtend mee bezig was. De oude Grieken dachten erg veel na over moeilijke vragen. “Tja, wat denk je zelf?”, vraag ik terug. “Ja, het ei natuurlijk”, zegt hij vol overtuiging, “want die heeft God gewoon gemaakt”.

Nou leef ik zelf een volkomen goddeloos bestaan. Zo ben ik opgevoed. Ik heb van huis uit helemaal niets meegekregen over het geloof en ben qua Bijbel- en Korankennis volkomen blanco. Geloof was voor mij lange tijd iets met even je ogen dicht doen en je handen vouwen voor het eten of zo. Onwetendheid maakt bekrompen. De kinderen kregen op hun vorige school en van hun moeder wel het nodige mee en bekijken de wereld daarom een beetje anders als ik. Dat is ook goed. Hun algemene opvoeding is daardoor hopelijk breder dan die van mij.

“Dat zou kunnen, en ik denk dat je gelijk hebt”, zeg ik dan, “maar ik geloof niet in God maar in de Oerknal en de Oersoep”. Die woorden leveren een hoop gegiechel en gegrinnik op. Hoewel ik ook geen oersoep-expert ben doe ik toch mijn best. Ik leg uit dat het eerste leven bestond uit hele kleine beestjes die je alleen onder een microscoop kon zien. Ze zwommen in de “oersoep” (water) en bestonden uit één celletje. Die beestjes maakten kindjes zonder dat daar eieren of mama’s met dikke buiken voor nodig waren. Ze braken gewoon doormidden en elke helft groeide weer dicht.

Ik maak grote sprongen, want ik ben bepaald geen expert. Ik redeneer dus verder dat er steeds meer van die beestjes kwamen en dat die allemaal voedsel nodig hadden om die kindjes te kunnen maken. Ze gingen dus op gegeven moment elkaar opeten. Daardoor moesten ze dus zorgen dat ze konden jagen en zorgen dat ze zelf niet werden opgegeten. Aan dat ene celletje had je dus niet meer genoeg. Je moest cellen maken voor onder andere een maag, tanden en vinnetjes om weg te zwemmen voor grote enge beestjes en om zelf achter andere lekkere beestjes aan te zwemmen.

Die zee raakte dus vol met allerlei soorten zwemmende beestjes die er alles aan deden om te overleven. Met een buik vol kindertjes ben je makkelijker te vangen, dus moest je die kindjes misschien maar beter buiten je lijf groeien. Zo ontstonden de eerste eitjes. Het werd erg gevaarlijk in de zee, dus kropen ze aan land en gingen ze pootjescelletjes maken en nog veel meer celletjes want ze waren ontzettend groot. Reusachtige, verschrikkelijk enge dino’s. Ze hadden hele grote achterpoten, hele kleine voorpootjes en een hele grote bek vol scherpe tanden. Dino’s legden ook eieren om hun kindjes in te groeien. De kip zoals wij haar nu kennen bestond toen nog lang niet, maar de monsterlijke oermoeder van die kip wel. Dus, ja, het ei was er eerst, geloof ik.

De kinderen hebben het met grote ogen aangehoord. Mijn oudste denkt dan even na en zegt dan dat het toch best wel heel erg knap is als je dat van die celletjes en die oersoep allemaal kunt bedenken. Dat vind ik op dat moment zelf ook best knap. Maar langzaam bekruipt me het gevoel dat hij met “je” niet zijn vader bedoelt.

Powered by ScribeFire.