humor

Banaandenken

Hier moet je even heel goed banaan denken.
Hihi! Moet ik er banaan denken, zei je?
O, vind je het grappig dat ik zeg dat je ergens banaan denken moet?
Ha ha ha, nu zeg je het weer!
Wat?
Dat ik er banaan denken moet!
Juist ja! En deed je dat nou ook maar eens!
Okee, dan denk ik hier nu even heel serieus “banaan”, grinnik, grinnik.
Ach welnee, jij denkt helemaal nergens banaan!
O nee? Nou vanmiddag dacht ik anders nog duidelijk banaan hoor.
Okee, vertel dan eens waar jij banaan dacht?
In de supermarkt, bij de fruitafdeling! Eerlijk waar! Waahahahahahaaa!

Advertenties

Wijsheden tussen aanhalingstekens

Vorige week zat ik te eten in Der Pschorr in München. Een heel oud restaurant met die typische Beierse sfeer. Je weet wel, bediening in Lederhosen of Dirndels (afhankelijk van het geslacht) en iedereen eet Schweinehaxen met Semmelknödeln met grote glazen bier van de huisbrouwer (Hacker Pschorr). Op de tafel lag een soort krantje, en daarin kwam ik een rijtje met Beierse “wijsheden” tegen. Van die wijsheden die geen wijsheden zijn, maar met voldoende bier in de buik, wel grappig. Onderbroekenlol eigenlijk. Ik vond ze heel grappig, dus ik had blijkbaar voldoende bier in het bloed.

Nu heb ik dat krantje natuurlijk vergeten mee te nemen, maar ik weet deze nog (vrij letterlijk vertaald uit het Duits). Drink eerst even een biertje of 2, 3 voor je ze leest, dan zijn ze leuker:

Als de boer ploegt in mei, dan is april voorbij

Als het regent van voren, krijgt de stier natte horens

Kraait de haan in de mist, blijft het weer zoals het is,
maar kraait ‘ie op een hoen, heeft dat met het weer niets van doen 

Je ziet het patroon. Het moet nergens op slaan, maar wel rijmen. Dat moet ik ook kunnen:

Loopt een kip tegen het hok, dan hoor je “tok” (okee, gebaseerd op een al even flauw, bekend mopje…)

Blaft de hond bij het hek, dan komt er geluid uit zijn bek

Geloof me, met genoeg bier op, worden ook deze grappig. Maar als jij denkt dat je het beter kunt, kom dan maar op!

Otto rekent af met een telemarketeer

Terwijl Otto de Magiër zijn zelf gegrilde spare ribs zit af te kluiven, klinkt ineens het snerpende gepiep van het mobieltje dat hij vandaag in een opwelling heeft aangeschaft. Verbaasd en geërgerd neemt hij op (mond nog vol):

-jezuswiebelternoutijdensheteten…. Ja met Otto

– Een bijzonder goedenavond meneer…eh….

– Otto

– Ah, juist, meneer Otto. Zoals ik al zei, een bijzonder goedenavond! Mag ik een paar minuten van uw tijd meneer Otto?

– Ik zit nog te ete…

– Eet smakelijk meneer Otto! Het spijt me dat ik u in uw ongetwijfeld heerlijke maaltijd moet storen, maar ik heb geweldig nieuws voor u! Als u een paar minuten heeft voor het beantwoorden van een aantal vragen maakt u kans op een geheel verzorgde…blablabladieblabla…

Otto legt de telefoon op tafel en breekt nog een lekker stuk sparerib af. Een paar minuten later pakt hij het telefoontje weer op. De telemarketeer zit nog steeds te leuteren. Otto onderbreekt hem smakkend:

– Nog steeds niet uitgeleuterd?

– Eh…wat?

– Of je al klaar bent!

– Ik was nog midden in…wacht es even, heeft u wel geluisterd meneer Otto? Wij hebben echt een geweldige aanbieding voor u. En het is eenmalig!

– Ja dat zal wel. Hou maar op, want ik heb er een bloedhekel aan als ik word gestoord tijdens het eten. Hoe kom je eigenlijk aan dit nummer?

– Eh…volgens mijn computer heeft u onlangs…. 

fwoep! Otto verschijnt op magische wijze (hoe hij dat doet weet alleen Otto en het heeft te maken met ongelooflijk stinkende mazzel, maar dan extreem geconcentreerd) in een call center, vlak achter de stoel van een kereltje dat achter een computerbeeldscherm zit met een headset op zijn gladde, kale kop geklemd. Het kereltje hangt onderuit in zijn bureaustoel en is midden in een zin:

– …een mobiele telefoon aangeschaft, klopt dat?

JAZEKERRRRR! 

Het kale kletsertje schrikt zo hard dat hij het bekertje koffie dat hij in zijn hand heeft in de lucht gooit. Otto maakt een snelle handbeweging. Het bekertje en de plens hete koffie die er uit vliegt, blijft vlak voor het tegen het plafond komt, zweven, kalmpjes roterend. 

– Oei, dat is hete koffie die je daar omhoog gooit. Stel toch dat je die op je domme kale kop krijgt. 

Het kale kereltje is verstijfd van schrikt en kijkt langzaam naar boven. Uit de poriën van zijn kale kop druppelen allemaal kleine druppeltjes zweet. Dan draait hij zich om naar de duistere figuur achter hem. Het is een woeste kerel met in zijn ene hand een klein mobieltje en in zijn andere hand een stuk spare rib.Otto kijkt hem grijnzend aan en houdt zijn gloednieuwe mobieltje tussen duim en wijsvinger naar voren:

– Deze dus, en ik heb er nu al spijt van dat ik hem heb gekocht. Ik wordt namelijk steeds gebeld door vervelende kale mannetjes die iets van me moeten. Mannetjes die alleen maar praten en niet luisteren. Mannetjes die vooral heel graag naar zichzelf luisteren. 

Het kale kereltje komt weer een beetje toch zichzelf en trekt een grote geruite zakdoek uit de binnenzak van zijn colbert. Daar dept hij zijn kop mee af en leunt vervolgens weer achterover. Met open mond grijnzend neemt hij Otto zwijgend een aantal seconden op, maar Otto zwijgt stoicijns terug. Dan begint het kale mannetje lachend te ratelen:

– Ahaahahahahaaa, je hebt me goed te pakken hoor. Hahahaha. Pfjiew, is me dat schrikken zeg. Ik had het echt helemaal niet door. Wanneer wordt dit uitgezonden? En laat me raden, daar ergens is de camera verborgen…Toch? Jaaaahahahaha, ik heb het wel door hoor.

Otto kijkt hem meewarig aan en wijst naar boven. Recht boven de kale kletskop zweeft nog steeds het papieren bekertje en de plens hete koffie. Dan knipt Otto met zijn harige vingers. De blob zwevende koffie zweeft tegen het plafond en vormt daar een glanzend-zwarte plas. Vanuit het midden zakt er een dikke vette druppel uit de plas. De koffie gedraagt zich als stroop. De druppel zakt langzaam, een dikke koffiestroopdraad trekkend, in de richting van de kale kop. 

– En wat vind je van die special effects? Ongelooflijk wat ze tegenwoordig allemaal kunnen met computers hè? 

De mond van het kale ventje gaat open, en weer dicht, en weer open. Otto stapt snel naar voren en duwt het mobieltje in de open mond van de telemarketeer en duwt dan met zachte hand de onderkaak van het ventje omhoog. Met Otto’s mobieltje tussen zijn tanden kijkt het kale mannetje naar de dikke druiper koffiestroop die van het plafond druipt. 

Otto plukt het bekertje uit de lucht en zet het voorzichtig op de kale kop, precies onder de gestaag zakkende koffiedruiper. Dan draait hij zich om en loopt weg. Als hij bij de uitgang van de ruimte is, draait hij zich nog even om en zegt:

– Als ik jou was zou ik zo blijven zitten en niet bewegen, want hoe verder ik weg ben, hoe meer die koffie zich weer herinnert hoe het is om gewoon vloeibaar en vooral kokend heet te zijn. 

Het zweet parelt alweer van de kale kop. De arme drommel heeft zijn ogen nu stijf gesloten, in anticipatie op een plens hete koffie. Uit de keel van de kaalkop komt een benepen piepgeluidje. Maar Otto loopt de ruimte uit en trekt de deur achter zich dicht. Tevreden grijnzend en zichtbaar met zichzelf ingenomen knipt Otto nog eens met zijn dikke vingers. Vanachter de deur klinkt het typische geluid van een door kortsluiting sissend en vonkend stuk electronica.

fwoep!, klink het zachtjes in de gang, maar dat komt niet uit boven het gegil van het arme kale mannetje. Het gegil begint als noodkreet, maar gaat over in een opgelucht gegiechel als hij zich beseft dat die hete koffie heus niet op zijn kop is gevallen maar in plaats daarvan in zijn nog na-knetterende en gestorven computer.

Telepret

Kinderen kunnen soms geweldig uit de hoek komen. Laatst vroeg onze oudste zoon waarom een telefoon “telefoon” heet. Dus legde ik uit dat “tele” betekent dat iets op afstand (ver weg) is, en dat “foon” “geluid” betekent. Dus met een telefoon kun je geluid horen dat ver weg is.

In het hoofd van mijn zoon vielen blijkbaar diverse kwartjes, zag ik aan zijn oogjes, dus ik vroeg of hij nu zelf kon uitleggen waarom  televisie “televisie” heet. Hij hoefde niet lang na te denken en zei: “een televisie is een ding waarmee je iets kunt zien dat ver weg is”.

“Maar hoe zit dat dan met een telescoop?”, vroeg ik toen. Ja, dat was natuurlijk gewoon een hele grote verrekijker. En toen mijn zoon dat hardop zei, viel er weer een kwartje: ver (tele) kijken (scoop). 

“En weet je misschien nog een ander voorbeeld van een woord dat begint met tele?”, vroeg ik bemoedigend. Aan de pretlichtjes in zijn oogjes zag ik dat hij er nog wel eentje wist. “Jahaa, ik weet er nog wel eentje hoor Papa”, begon hij, en hield het een beetje spannend. Hier ging een heel goed voorbeeld komen. En toen kwam het: Teletubbie. Wat een boef is het ook.

Drietenig monster op mosgroene sloffen

Waarom draagt het drietenige monster groene sloffen? Om niet op te vallen tussen de varens? Of in veld met kropsla? Ik weet ook niet wat het hier dan tussen de rottende bladeren zocht. Zijn mosgroene slof leek haast wel licht te geven. Sowieso steken de mossen nu heel sterk af tegen al die grauwbruine, rottende blaren. In eerste instantie dacht ik ook dat het om een boomvoet ging met mos op de wortels, maar schijn bedriegt! Het monster staat in het bos achter de radiotelescoop aan het Dwingelderveld. Als je er heel zachtjes langs sluipt, ziet ‘ie je misschien niet.