Kat

Procrastinatie #6wmb

Morgen is er weer een dag…SSJ-106554

Mijn inzending voor Doldriest’s opdracht “6 woorden met beeld”, thema “Uitstelgedrag”
Advertenties

Moest van poes

Blij, blijer, blijst.
Vrij, vrijer, vrijst.
Lui, luier, luist.
Sneu, sneuer, sneust.
Moe, moeër, moest.

Ik zeg eigenlijk nooit “blijst”, of “vrijst”. Misschien zou ik “sneust” nog wel eens kunnen zeggen. Maar zeker nooit “moeër”. Wel “moest”, maar niet omdat ik zo moest uitdrukken dat ik me ooit het moest voelde. Moest is de verleden tijd van moet, en ik moet niks, dus ik moest ook nooit iets. Als ik al moest, dan was het op de plee, en dan had het doorgaans een bevrijdend effect op me. Niks zo bevrijdend als heerlijk zelfsloos moeten op de plee. Heel zen dus (alsof ik daar verstand van heb, maar toch). Hoewel moeten en zen volgens mij weinig met elkaar op hebben.

Zen is in de volksmond ook een bijvoeglijk naamwoord. Iemand zei laatst tegen me dat strijken kan heel zen zijn. En katten zijn ook altijd zen. Daar ben ik het mee eens. Niets is zenner dan een kat. Katten trekken zich niks aan van regels. Katten zijn de zenste wezens op Aarde. Katten zijn te edel om te moeten. Katten mogen schaamteloos lui doen. Niets zo lui als een kat. Katten zijn het allerluist. Ze wakkeren luiheid bij je aan. Als poeslief bij je op schoot springt, zich uitstrekt en uitgebreid gaapt, voel je je ineens ontzettend moe. Je vergeet ineens wat je eigenlijk doen moest. Je moet eigenlijk helemaal niks, vind je ineens.  Je gaapt zelf ook eens flink en zakt wat meer onderuit. Je bent ineens veel te moe om te moeten. Nog voordat je hoofd tegen de bankleuning zakt, lig je, net als poeslief, heerlijk zelfloos te ronken. Je was er ook aan toe, en poes wist dat. Het moest van poes.

Waarop dan?

Helaas zit het er weer op. De zomervakantie dus. Maar waarop dan? Eh… Tja, het is net zoiets als waar ’s maandags het weekend altijd op zit, maar dan groter, vermoed ik. De grootte is afhankelijk van de lengte van je vakantie, dus die van mij zal wel vrij groot zijn deze keer. Er moet ruim een maand vakantie op passen. Maatje XL-maand dus. Koffie- en lunchpauzes zitten er trouwens ook dikwijls op, dus je hebt ze ook in uren – en minutenmaten.

Wat ik me nu ook ineens afvraag is dit: Wanneer komt het er weer af? Eigenlijk let ik daar nooit op. Ik weet dat pauzes, weekenden en vakanties er iedere keer op gaan zitten, maar ik laat ze daarna volledig aan hun lot over. Ik laat ze er maar gewoon een beetje op zitten. Je kunt er immers ook niks meer mee. Ze zijn op gebruikt dus je hebt er verder niks meer aan. Als ik hun was, zou ik trouwens lekker gaan liggen in plaats van zitten. Ergens vermoed ik dat ze dat ook gewoon doen.

Weekenden en vakanties (vooral schoolvakanties) komen ook altijd ineens voor je deur staan (ze zitten nadrukkelijk niet). Pauzes gelukkig niet want dan ben je immers toch niet thuis. Tenzij je thuis werkt natuurlijk, maar dan nog staan ze niet voor de deur, want daarvoor zijn ze te klein. Ik denk eerder dat deze als een roodborstje op je raampje gaan staan tikken. Maar weekenden en vakanties staan dus op gegeven moment wel voor de deur. Weekenden doen dat steevast op vrijdagmiddag. Vakanties staan soms al wel een maand van te voren te trappelen voor je deur.

Er wordt overigens niet nader gespecificeerd welke deur dan precies, maar ik vermoed de voordeur. Het belt ook niet aan, maar gaat gewoon stoïcijns, als een huiskat, een beetje naar je voordeur zitten staren totdat je de hint begrepen hebt. Je moet er iets mee voordat ze op hetgeen gaan zitten waar ze na hun afloop altijd op willen zitten. Waarop precies, dat bepaalt het zelf. Ook weer net als een kat (deze eet vast ook de roodborstjes die ik vergeet binnen te laten). Waarschijnlijk ergens schaamteloos languit in het zonnetje op de vensterbank. Zou ik ook doen als ik mijn vakanties en weekenden was.

Nog ’n Bokitootje Otto?

Hoe komt het dat een Guatamalese koffieboer een grote pluk Hollandse stro aan treft op zijn plantage?

Waarom verkneukelt Otto de Magiër zich erover dat zijn schele kater op een ochtend ontzettend nodig moet poepen?  

Op die bewuste ochtend loopt Otto de Magiër vrolijk fluitend naar de vaste schijtplek van Knarf, zijn monsterachtige kater. Hij duwt de takken van de grote, oude spar achterin zijn tuin aan de kant en woelt voorzichtig met een schep de aarde eronder een beetje om. Na even zoeken vindt Otto wat hij zoekt: een kuiltje vol met allemaal kleine, harde kattenkeuteltjes. Grinnikend graaft Otto de keuteltjes op. Tot nog toe loopt zijn plan op rolletjes. “Nee, hahaha, op drolletjes”, roept Otto uit. En met een plastic boodschappentas vol keuteltjes, dezelfde waarin hij eerst de in Guatamala geplukte koffiebessen had verzameld, loopt Otto naar de keuken. Daar pelt hij geduldig, 1 voor 1 de keuteltjes. In iedere keutel zit een grijs uitgeslagen koffieboon. Hij spoelt de bonen grondig schoon legt ze te drogen op de vensterbank, in het zonlicht.

Na een week of wat zijn de koffiebonen droog genoeg, en klaar om te worden gebrand. Otto aanschouwt ze tevreden in het licht van de volle maan. Het maanlicht geeft de bonen een magische glans.  Behoedzaam veegt Otto de bonen bij elkaar en stopt de meest potente koffiebonen die ooit hebben bestaan in een papieren zak. En met een knip van zijn vingers verdwijnt Otto, om even later te verschijnen bij zijn goede vriend Simon. Simon is koffiebrander, misschien heb je wel eens van hem gehoord.

Simon loopt door de branderij en voelt hoe zijn nekharen overeind gaan staan. Nagenoeg op hetzelfde moment hoort hij dit geluid: “fwwwwoep?!”. Simon kijkt rustig in de richting van het geluid en groet Otto met een opgestoken hand en een laag “heee”. Niet in het minst is Simon verbaasd dat Otto midden in de nacht op duikt. Otto steekt enthousiast van wal en laat hem de bonen zien. Simon steekt zijn neus in de zak en snuift de geur ervan op. Zijn ogen beginnen meteen te tranen en hij zegt: “jeeeesus, da’s goeie shit man. Is dat wat ik denk dat het is?”. Otto grinnikt en knikt enthousiast: “Ja, maar dan 100 keer beter”, en hij vertelt Simon het hele verhaal. 

Nu is het Simon’s beurt voor een stukje magie. Hij geeft Otto voor de zekerheid een gasmasker en zet er zelf ook eentje op. Dan gaat hij aan de slag met de in Knarf’s maag gefermenteerde bonen. Hij brandt ze driedubbel. Het resultaat is bijna twee en een half ons donkerbruine bonen die een magische zilverachtige glans hebben. Deze koffiebonen zijn zo potent dat alleen al de geur ervan je gegarandeerd drie dagen wakker houdt. Bij het malen van de bonen komt het potente aroma vrij, wat tot gevolg heeft dat alle mensen die in een straal van een halve kilometer rond Simon’s branderij wonen plotseling klaarwakker zijn.

Simon schept de gemalen koffie in het espressofilter en klikt het filter onder de espressomachine. Dan laat hij de machine zijn werk doen. Het apparaat puft en bromt en kraakt en perst dan druppelsgewijs een dampende, gitzwarte vloeistof in twee kleine koffiekopjes. Na een minuutje komt het apparaat sissend tot stilstand en zijn de kopjes vol. De damp die van de koffie komt heeft een magische zilverkleurige glans. 

Otto en Simon halen heel diep adem, nemen hun gasmasker af en houden hun adem in als ze de kopjes pakken. Ze moeten snel zijn, want het glazuur van de kopjes begint al te barsten. Zo snel als ze kunnen gieten ze de kleine kopjes leeg in hun mond. Even laten ze het in hun mond en slikken het dan door. Ze kijken elkaar dan plotseling met wijd opengesperde ogen aan, en beginnen over hun hele lijf te schudden. Uit alle poriën uit hun lijven parelt zweet. Zweet met een zilverachtige glans. Dan beginnen ze zich als bezetenen te krabben over hun borstkassen. Otto stoot een primair geluid uit en scheurt zijn hemd open, en ook Simon rukt zijn lab-jas, loeiend als Tarzan, open. Uit hun blote, kale basten schieten allemaal donkere haren, en binnen enkele seconden hebben de vrienden een borstkas waar Bokito jaloers op zou zijn. 

Verbijsterd nemen de vrienden elkaar op. Dan verschijnt er een manische grijns op hun gezichten en terwijl Otto alvast enthousiast met zijn hoofd knikt vraagt Simon: “nog ’n Bokitootje Otto?”

Kattenbutler

De Rode Knor die al de hele middag lag te pitten op de keukenstoel, poten asociaal lui over de rand bungelend, glijdt daar nu lenig vanaf. Hij strekt zich uit en gaapt uitgebreid. Plotseling moet hij heel nodig zijn gat likken. En even plotseling houdt hij daarmee op en slungelt met zijn prachtige lijf op me af. Ik zit op de bank TV te kijken. Drie meter bij me vandaan, maar zo dat ik hem goed kan zien gaat hij me zitten aanstaren. Hij wil iets.

Ik negeer hem eerst maar eens even, maar na een tijdje zeg ik: “Hee Knor, wat moet je dan?”  De Rode Knor slungelt dichterbij en geeft onderweg naar mijn schoot de salontafel een intimiderende kopstoot. Ik tik op mijn knie om duidelijk te maken dat hij op mijn schoot mag springen. Hij zou dat natuurlijk sowieso gedaan hebben, of ik het nou goed vond of niet. En op schoot zet hij zijn ronkende spinmachine aan en kijkt me verheerlijkend aan. Natuurlijk heeft hij schijt aan me, maar toch voel ik me aanbeden.

Als ik mijn hand boven zijn rooie kop hou veert hij er overdreven tegen aan en smeert zijn geur aan me af. “Mmmijijijijnnn mens”, zegt hij daarmee. Ik mag hem eventjes achter zijn imposante katerwangen kroelen, maar dan springt hij gepiekeerd met een nijdige snauw van mijn schoot. Op hetzelfde plekje als zoëven gaat hij me weer zitten aanstaren. Ik moet meekomen, dat is duidelijk. Ik zucht en sta op van de bank.

Met zijn rooie staart in de lucht sjokt hij voor me uit. Af en toe kijkt hij naar me op. In de bijkeuken gaat meneer op de mat voor de tuindeur zitten en kijkt me met zijn okergele ogen aan met een blik van pure verachting, alsof hij wil zeggen: “Mot ik nou echt elke keer als ik naar buiten wil zo lang wachten?”. Maar als ik de deur open zet voor hem, blijft hij stoicijns zitten. ” Hup, toe dan!”, zeg ik. Maar de Rode Knor is in een zeikstemming. Hij brengt een bij zijn humeur passend mekkergeluid voort en draait zich dan om en sjokt naar zijn eetplek. Ik zie twee schoonlege bakjes. Wederom is een vuile blik vol minachting mijn deel: “Schandalig dat je me zo laat kreperen”. Ik gooi de bakjes braaf vol en de Rode Knor gaat, zo te zien, tevreden zitten vreten.

En even later als ik net weer zit komt ‘ie er al weer aan. Om me vanaf zijn commandopost hypnotisch te verordonneren dat, als ’t me betaamt, nu toch eindelijk eens de deur naar de tuin open te maken. Lijdzaam doe ik, de kattenbutler, wat er van me verwacht wordt. Drie maal raden wie me nog geen vijf minuten later door het keukenraam zit aan te staren…