knarf

Nog ’n Bokitootje Otto?

Hoe komt het dat een Guatamalese koffieboer een grote pluk Hollandse stro aan treft op zijn plantage?

Waarom verkneukelt Otto de Magiër zich erover dat zijn schele kater op een ochtend ontzettend nodig moet poepen?  

Op die bewuste ochtend loopt Otto de Magiër vrolijk fluitend naar de vaste schijtplek van Knarf, zijn monsterachtige kater. Hij duwt de takken van de grote, oude spar achterin zijn tuin aan de kant en woelt voorzichtig met een schep de aarde eronder een beetje om. Na even zoeken vindt Otto wat hij zoekt: een kuiltje vol met allemaal kleine, harde kattenkeuteltjes. Grinnikend graaft Otto de keuteltjes op. Tot nog toe loopt zijn plan op rolletjes. “Nee, hahaha, op drolletjes”, roept Otto uit. En met een plastic boodschappentas vol keuteltjes, dezelfde waarin hij eerst de in Guatamala geplukte koffiebessen had verzameld, loopt Otto naar de keuken. Daar pelt hij geduldig, 1 voor 1 de keuteltjes. In iedere keutel zit een grijs uitgeslagen koffieboon. Hij spoelt de bonen grondig schoon legt ze te drogen op de vensterbank, in het zonlicht.

Na een week of wat zijn de koffiebonen droog genoeg, en klaar om te worden gebrand. Otto aanschouwt ze tevreden in het licht van de volle maan. Het maanlicht geeft de bonen een magische glans.  Behoedzaam veegt Otto de bonen bij elkaar en stopt de meest potente koffiebonen die ooit hebben bestaan in een papieren zak. En met een knip van zijn vingers verdwijnt Otto, om even later te verschijnen bij zijn goede vriend Simon. Simon is koffiebrander, misschien heb je wel eens van hem gehoord.

Simon loopt door de branderij en voelt hoe zijn nekharen overeind gaan staan. Nagenoeg op hetzelfde moment hoort hij dit geluid: “fwwwwoep?!”. Simon kijkt rustig in de richting van het geluid en groet Otto met een opgestoken hand en een laag “heee”. Niet in het minst is Simon verbaasd dat Otto midden in de nacht op duikt. Otto steekt enthousiast van wal en laat hem de bonen zien. Simon steekt zijn neus in de zak en snuift de geur ervan op. Zijn ogen beginnen meteen te tranen en hij zegt: “jeeeesus, da’s goeie shit man. Is dat wat ik denk dat het is?”. Otto grinnikt en knikt enthousiast: “Ja, maar dan 100 keer beter”, en hij vertelt Simon het hele verhaal. 

Nu is het Simon’s beurt voor een stukje magie. Hij geeft Otto voor de zekerheid een gasmasker en zet er zelf ook eentje op. Dan gaat hij aan de slag met de in Knarf’s maag gefermenteerde bonen. Hij brandt ze driedubbel. Het resultaat is bijna twee en een half ons donkerbruine bonen die een magische zilverachtige glans hebben. Deze koffiebonen zijn zo potent dat alleen al de geur ervan je gegarandeerd drie dagen wakker houdt. Bij het malen van de bonen komt het potente aroma vrij, wat tot gevolg heeft dat alle mensen die in een straal van een halve kilometer rond Simon’s branderij wonen plotseling klaarwakker zijn.

Simon schept de gemalen koffie in het espressofilter en klikt het filter onder de espressomachine. Dan laat hij de machine zijn werk doen. Het apparaat puft en bromt en kraakt en perst dan druppelsgewijs een dampende, gitzwarte vloeistof in twee kleine koffiekopjes. Na een minuutje komt het apparaat sissend tot stilstand en zijn de kopjes vol. De damp die van de koffie komt heeft een magische zilverkleurige glans. 

Otto en Simon halen heel diep adem, nemen hun gasmasker af en houden hun adem in als ze de kopjes pakken. Ze moeten snel zijn, want het glazuur van de kopjes begint al te barsten. Zo snel als ze kunnen gieten ze de kleine kopjes leeg in hun mond. Even laten ze het in hun mond en slikken het dan door. Ze kijken elkaar dan plotseling met wijd opengesperde ogen aan, en beginnen over hun hele lijf te schudden. Uit alle poriën uit hun lijven parelt zweet. Zweet met een zilverachtige glans. Dan beginnen ze zich als bezetenen te krabben over hun borstkassen. Otto stoot een primair geluid uit en scheurt zijn hemd open, en ook Simon rukt zijn lab-jas, loeiend als Tarzan, open. Uit hun blote, kale basten schieten allemaal donkere haren, en binnen enkele seconden hebben de vrienden een borstkas waar Bokito jaloers op zou zijn. 

Verbijsterd nemen de vrienden elkaar op. Dan verschijnt er een manische grijns op hun gezichten en terwijl Otto alvast enthousiast met zijn hoofd knikt vraagt Simon: “nog ’n Bokitootje Otto?”

Advertenties

Kopi Knarf (deel II van het “Bokito-recept”)

Waarom worden de bewoners van tientallen huizen om onverklaarbare reden plotseling tegelijk klaarwakker? Waarom vangt Otto de Magiër een zwijn? Waarom voert Otto dit zwijn rijpe, topkwaliteit Arabica-bessen die hij zelf heeft geplukt in Guatemala? Welk noodlot is dit zwijn beschoren? Wat heeft dit met een Gorilla genaamd Bokito te maken?

~~~

Het bewuste zwijn vreet zich intussen helemaal vol aan de heerlijke, zoete koffiebessen, en is zich niet bewust van enig noodlot. Het schrokt de bessen met pit en al naar binnen. De trog gaat tot en met de laatste bes leeg. Daarna likt het zwijn de trog helemaal schoon. Teleurgesteld snuffelt het zwijn de schuur af naar meer van dat lekkers, maar vindt niets.

Buiten zakt een bloedrode zon langzaam achter de horizon. De laatste stralen komen door de kier van de deur. Het zwijn drukt zijn snuit tegen de kier en voelt dat de deur een beetje meegeeft. Meteen kruipt het beest recht achteruit tot het met zijn kont tegen de voedertrog komt. Dan zet het zich schrap en stiert met enorme vaart richting de deur. Met een enorme klap beukt het zwijn tegen de deur, dat al na de eerste klap uit een scharnier breekt. En al na de derde keer ramt het dikke zwijn dwars door de onderste helft van de schuurdeur, naar buiten.

Het zwijn schiet als een kanonskogel door Otto’s achtertuin. Alhoewel “tuin” het minst toepasselijke woord is voor het stukje land achter Otto’s huis. Het is net zo’n woekerende willekeur aan begroeiing als Otto’s eigen kapsel. Desalniettemin schiet het zwijn door die wildernis. Het zwijn beseft zich niet dat het ten dode is opgeschreven. Knarf, de gevaarlijkste huiskat van Europa (en reden dat zich in dit gebied geen wolven wagen) sluipt namelijk achter het malse zwijn aan. Het zwijn komt tot stilstand bij een doornige, wilde rozenstruik. Daar scharrelt het snuivend een beetje heen en weer, op zoek naar een doorgang.

Knarf weet dat die doorgang er niet is en zet zich schrap. Kop laag, alle zintuigen gespitst op het zwijn (hij ziet er eigenlijk twee), kont wiebelend en staart zwiepend van links naar rechts. En hij springt, dodelijk als een panter en lelijk als de nacht, op zijn prooi af. Even later dendert er een gillend zwijn door Otto’s tuin met om zijn nek een woest grommende kater. Knarf heeft zijn scheve maar krachtige kaken om de nek van het zwijn geklemd, als een pitbull. Het duurt niet lang voor het zwijn ineen zakt omdat zijn nekwervels zijn verbrijzeld.

~~~

Als Otto de deur van zijn geïmproviseerde zwijnenstal hoort versplinteren, schiet hij uit zijn stoel en rent via de achterdeur de tuin in. Hopelijk heeft het zwijn zich nog wel kunnen vol vreten, denkt hij bezorgd. Bij de schuur aangekomen ziet hij tot zijn genoegen dat de trog letterlijk schoon leeg is. Hij volgt het spoor van het zwijn. Met zijn zaklamp schijnt hij voor zich uit. En dan ziet hij het bloederige karkas van het zwijn. Vanuit de rozenstruiken klinkt een vervaarlijk gegrom. Otto ziet Knarf’s schele katteogen oplichten in de straal van zijn zaklamp. Mooi, denkt Otto, heel mooi, en hij wandelt tevreden terug naar binnen.

De volgende ochtend treft Otto zijn kater aan in zijn stoel. Het afzichtelijke beest trekt zijn scheve muil open en gaapt uitgebreid. “Gatver Knarf, je meurt ongelooflijk uit je bek”, zegt Otto, “wat heb jij nou weer gevreten?”. Knarf, ongevoelig voor dergelijke beledigingen, rekt zich uitgebreid uit en springt van de stoel. Hij sjokt naar de achterdeur en zet zijn klauw, met uitgestoken nagels tegen de laklaag van de achterdeur. Het is duidelijke taal: “doe de deur open of ik krab hem kaal”. Otto doet de deur voor Knarf open en zegt liefdevol: “Rot maar lekker op, schijtkat”

Knarf moet inderdaad ontzettend nodig schijten (het is niet anders, katten poepen niet, ze schijten). Zijn maag borrelt en bruist. Dat malse zwijn van gisteravond ligt abnormaal zwaar op zijn maag. Snel kruipt hij naar zijn vaste schijtplek onder een grote, oude spar die ondanks, of misschien juist dankzij Knarf’s uitwerpselen welig tiert. Knarf graaft een kuil en zijn gat hangt er nog maar nauwelijks boven of er schiet een hele batterij kleine keuteltjes uit. Knarf kijkt er verbaasd naar, maar graaft het dan snel, en beschaamd zoals iedere kat, dicht.

wordt vervolgd…

Otto slaat in (deel I van het “Bokito-recept”)

In tientallen huizen gaan ’s nachts plots en min of meer tegelijk overal de lichten aan. Eerst in de slaapkamers, en even later de keuken. De mensen zijn allemaal klaarwakker. Vertwijfeld kloppen buren bij elkaar aan: “Ik zie dat er bij jullie ook licht brandt. Ook zomaar van ’t ene op het andere moment klaarwakker geworden? En dan die lucht buiten! Waar is Simon nu dan weer mee bezig?”

Simon wist zelf ook niet wat hem precies overkomen was. Eerst had hij een nagenoeg kale borstkas, nu had hij een borstkas waar Bokito jaloers op zou zijn. Evenals zijn maat Otto, die hem de ingrediënten had geleverd voor het potente brouwsel dat ze zojuist hadden gedronken.

Het recept is krankzinnig. Men neme: één wild zwijn…

~~~

In de schemering van de avond komt dat zwijn voorzichtig en nietsvermoedend tevoorschijn uit het bos. Snuivend scharrelt het beest in de richting van het aan het bos grenzende maisveld. Aan de rand van het maisveld blijft het zwijn even staan en wroet met zijn snuit in de aarde. Kjak! Kjak! Kjak! Kjaaaaak! Uit het maisveld fladdert plots een handvol kauwen. Het zwijn schrikt en schiet in wilde paniek het maisveld in en rent er kris-kras doorheen.

In het midden van het maïsveld staat, op een open plek, een grote vogelverschrikker, maar zijn kapotte strohoed steekt maar net boven het maïsveld uit. De kauwen cirkelen om de stroman heen terwijl ze met een scheef oog kijken of de vreemde stroman niet weer gaat bewegen. Maar het enige dat beweegt aan de stroman is de de top van zijn strohoed dat af en toe als een dekseltje open en dicht klapt als het door een windvlaag wordt geraakt. Toch wagen de kauwen zich niet meer in de buurt van de vogelverschrikker.

Plotseling komt het geschrokken zwijn weer tevoorschijn. Het botst bijna tegen de stroman aan. Als de kauwen konden grinniken, dan hadden ze dat gedaan, want het ziet er heel cartoonesque uit. Het zwijn remt zich namelijk af door op zijn achterwerk te glijden, met zijn voorpoten gestrekt voor zich uit. Op anderhalve meter voor de stroman komt het zwijn tot stilstand.

Otto de Magiër grinnikt inwendig ook maar weet zich bewegingsloos te houden. Hij houdt zijn adem in. Het zwijn snuift en kijkt naar de stroman. De armen van de stroman staan, zoals het hoort, recht opzij en uit de mouwen van de oude jas steken grove plukken stro. Er steekt natuurlijk overal stro uit de stroman, want dat mag je verwachten. Wat je niet mag verwachten zijn de felrode, nog bijna nieuwe klompen maat 48. Verder liggen er op de grond rond de stroman een stuk of wat rijpe maïskolven, al ontdaan van de bladeren en draden.

Het zwijn kijkt nog eens naar de stroman. Ergens in het eenvoudige brein van het beest begint er iets te dagen. Het is zijn instinct dat hem waarschuwt voor gevaar, maar de heerlijke maïskolven lokken het dier dichterbij de stroman. Voorzichtig schuifelt het zwijn naar een maiskolf dat het dichtst bij hem ligt. Dan hapt het zwijn en rent met de kolf snel terug het maïsveld in. Pats! Het zwijn botst tegen een dichte muur van maïshalmen. Het beest rent naar de andere kant van de open plek, maar stuit ook daar op een ondoordringbaar dichte haag van maïsplanten. Het dier onderneemt nog enkele verwoede pogingen om van de open plek te ontsnappen, maar hij zit er opgesloten. Het zwijn geeft het op en kijkt versuft voor zich uit.

“Boe!”, roept Otto dan. Van schrik begint het zwijn, luid gillend, rondjes te rennen langs de rand van de open plek. Otto volgt de beweging en gooit dan een zwaar vangnet over het arme beest. Even later fwoept Otto de stroman zichzelf en het zwijn naar een speciaal tot zwijnenstal getimmerd schuurtje, dat achter zijn huis staat. Tevreden stapt Otto even later naar buiten en knipt met zijn vingers. Otto is weer verdwenen, om te gaan “shoppen” voor het belangrijkste ingrediënt.

~~~

Otto verschijnt enkele momenten later, met en zacht “fwwwoep!”, aan de andere kant van de wereld. In Guatamala om precies te zijn. De ochtend gloort daar net. Om hem heen groeien struiken vol met bessen zo groot als kersen. Otto plukt er eentje en stopt hem in zijn mond. Heerlijk zoet en rijp voor de pluk. Otto is er op het juiste moment. Hij frummelt een plastic puut uit zijn broekzak, waardoor er een flinke pluk Hollandse stro op de vulkanische aarde van de plantage valt. Dat zal ze nog lang bezig houden, denkt Otto. Snel en stilletjes, begint hij te plukken en een kwartiertje later fwoept Otto, met een puut vol rijpe, topkwaliteit Antigua-Arabica-bessen weer naar huis.

Thuis stort hij de koffiebessen in de voedertrog van zijn zwijnenstal. Het zwijn begint er, tot genoegen van Otto, meteen van te vreten. “Goed zo lekker zwijntje, eet maar lekker op”, purt Otto tevreden. Dan loopt hij naar buiten en sluit de stal goed af. Vanuit de tuin wordt Otto gadegeslagen door een gitzwarte, loenzende kater. Uit de scheve bek van de monsterachtige kat druipt een dikke klodder kwijl. Het gras om de plek waar de druppel neervalt sterft meteen af. “Scheer je weg, Knarf!”, roept Otto nijdig. Uiteraard heeft dat geen effect, maar Otto en Knarf hebben nou eenmaal een gecompliceerde verstandhouding. Knarf sjokt ongeïntimeerd weg en gaat een eindje verderop eens uitgebreid aan z’n gat likken, terwijl hij ondertussen het schuurtje met daarin dat malse zwijn, nauwlettend in de gaten houdt.

wordt vervolgd…

Otto redt de paashaas

De ochtend gloort kil. Het is 3 graden onder nul en er dwarrelt motsneeuw naar beneden. Alle kindertjes liggen nog op één oor in hun warme bedjes. Buiten, in een te witte wereld voor de tijd van het jaar hopt de paashaas. Hop, hop, hop. In zijn pluizige voorpoten heeft hij een mand vol eieren. Anatomisch zijn hazen daar eigenlijk niet toe in staat, maar als een dode visser weer tot leven kan komen, dan is dit maar een eenvoudig wonder natuurlijk.

Met zijn hazelippen kan de paashaas nog iets wonderlijks, iets wat normale hazen ook niet kunnen: grijnzen. En al grijnzende verstopt het overal zijn bonte eieren. Nou ja, verstoppen is het juiste woord niet. Want de kindertjes moeten ze wel kunnen vinden natuurlijk. De paashaas zet ze zo neer dat ze in het oog springen voor mensjes met een ooghoogte van 4 turven.

Over het stoppelveld hopt de paashaas met zijn magische mandje met eieren. In werkelijkheid is het natuurlijk gewoon een kunstmatige wormhole naar de geheime voorraad bonte eieren. Is natuurlijk wel zo praktisch. Voor de paashaas is het de normaalste zaak van de wereld. Hop, hop, hop. Verder gaat zijn weg. In de verte steekt een dak met een rokende schoorsteen boven de ochtendnevels uit. Daar wonen vast ook kindertjes. Nietsvermoedend hopt de paashaas af op het gevaar.

Knarf, de afschuwelijkste kater ter wereld, sluipt onhoorbaar door het witgerijpte gras. Hij hoorde zijn prooi al van kilometers afstand aan komen stampen. Het domme beest doet niet eens moeite om niet op te vallen. De witte wieven op het veld maken dat Knarf op zijn beurt geen moeite hoeft te doen om onzichtbaar te zijn. Hop, hop, hop. De paashaas komt dichterbij.

De geur van een malse, kingsized haas, dat zelfs een toetje met zich mee draagt, maakt Knarf wild. Een dikke druppel heet kwijl vormt zich in de hoek van zijn lelijke, scheve bek. Knarf’s kwijl heeft een ongewoon hoge PH-waarde. Het heeft iets te maken met Indiase curry… Onvermijdelijk valt de druppel op de bevroren aarde: TSSSSSCH! Plotseling staat de paashaas stil. Wat was dat voor geluid?

Achter de paashaas klinkt dan een ander vreemd geluid: fwwwwwoep! Verschrikt draait de paashaas zich om. “Hi”, zegt Otto de Magiër tegen de paashaas, en dan: “Oooo, shit nee”, als hij ziet dat zijn monsterachtige huisdier de aanval heeft ingezet. “KNARF! FOEI!”, buldert Otto over het veld. Maar Knarf is niet onder de indruk. Grauwend als een panter rent de moordlustige, schele kater op de twee paashazen af.

Blikemsnel duikt Otto naar de van paas aan de grond genagelde angsthaas. Snel fwoept hij zichzelf en de paashaas naar een plek kilometers verderop.  “Voortaan blijf je beter maar uit de buurt van Knarf’s jachtgebied, je was bijna het haasje. Ha ha ha! Haasje! Vat jum?”. De paashaas kijkt Otto meewarig aan en schudt zijn nog immer grijnzende kop. “Ik heb geen tijd voor je flauwe grapjes”, zegt de paashaas chagrijnig. Dan draait het zich om en hopt in de richting van het vredige slapende dorpje verderop.

“Ho ho, krijg ik geen beloning?”, roept Otto verontwaardigd. De paashaas stopt en slaakt een diepe zucht. Geërgerd gooit het zonder om te kijken één vrolijk gekleurd eitje over zijn schouder. Otto peutert meteen het folietje eraf. Witte chocola. “Hee, heb je geen puur!?”, roept Otto de paashaas verontwaardigd na. En dan doet de paashaas weer iets dat hazen anatomisch niet kunnen aangezien ze geen middelvingers hebben…      

Oprit sneeuwvrij maken, Otto-style!

– Good evening, Bindi Restaurant, how can I help you?

– Yes good evening, it’s me, Otto.

-O, it’s you, how much Widower do you wish to order tonight (chuckle, chuckle)?

-The usual of course, two kilos.

-Hihihihihi (nerveus), you sure wish to make your wife a widow, don’t you Mister Otto.

-Yes, indeed, sort of, yes.

-Allright sir, it will be ready in about 20 minutes…(de Indiër aan de andere kant van de lijn brabbelt iets in zijn moeder’s taal tegen de kok)

-Excuse me, what was that?

-Nothing sir, the cook wanted to know what on earth, in spite of you being our best customer, you keep ordering such ridiculus amounts of the world’s hottest curry for.

-O, it’s actually not for myself hoor. It is for my cat. He loves the stuff!

-Er, did you just say you feed our Widower to your cat, sir?

-Yes, my cat indeed. He can’t get enough of it. Have it prepared on time as always. (klik, Otto legt de hoorn van zijn ouderwetse telefoon met draaischijf op de haak).

Knarf, de lelijkste en gevaarlijkste kater op deze aardkloot, strijkt langs Otto’s benen en brengt een geluid voort dat spinnen moet voorstellen, maar klinkt als het geluid van een vette Harley Davidson die 2 straten verderop komt aanrijden. Het is etenstijd. Otto moet opschieten, want hij riskeert dat hij weer een nieuwe stoel moet kopen. Als Knarf honger heeft, wordt hij nogal aggressief en reageert dat het liefst af op Otto’s stoel.

In een steegje in Grantham (Engeland) verschijnt, na een zacht “fwwwoep!”, een enorme gozer met een woest kapsel. Met grote passen baant Otto de Magiër zich naar Bindi Restaurant en loopt naar binnen. Al gauw wordt hij opgemerkt door het personeel. “Ah, mister Otto, nice to see you again”. Otto maakt zich zorgen om zijn stoel dus hij wil zo snel mogelijk terug naar huis: “Do you have my two kilos of Widower ready?”, vraagt hij daarom botweg. Het valt meteen helemaal stil in het restaurant. Een vrouw slaakt een kreetje. De Indiër kijkt geschrokken om zich heen en neemt Otto snel mee naar achteren: “Here it is sir, with an extra but complimentary 5 Naga Infinity’s added so we are sure to kill your cat this time, yes?”, en de man geeft Otto een vette knipoog. Otto grijnst tevreden en betaalt. Dan haast hij zich het restaurant uit, met een grote bak Widower onder zijn arm. De Indiër rent hem achterna: “Sir, your change!”. Maar Otto hoort hem niet meer. Buiten ziet de Indiër Otto een doodlopend steegje in rennen, en hij rent er achteraan. Maar bij het steegje aangekomen is Otto natuurlijk in het niets opgelost.

Thuis staat Knarf al met al zijn haren overeind en een enorme dikke staart de favoriete stoel van Otto te intimideren. Maar als hij Otto ziet verschijnen, begint hij zo hard te spinnen dat de glazen in de kast meerammelen. Otto kwakt de hele inhoud van de bak met Bindi’s Widower in Knarf’s trog. Knarf valt meteen aan. Met ongeloofelijke snelheid werkt hij de 2 kilo’s heetste curry ter wereld naar binnen. De trog wordt schoon leeg gelikt. En dan is het wachten geblazen voor Otto. Deze keer duurt het nog geen vijf minuten voor Knarf begint te kokhalzen. Zou het door de extra Naga Infinity’s komen? Knarf kokhalst en kokhalst en kokhalst. Eerst braakt Knarf een enorme, dampende haarbal uit. Het is een flinke deze keer. Toch zeker 2 à 3 ons, schat Otto.

Knarf is opgehouden met kokhalzen. Hij kijkt Otto vreemd aan. Nou kijkt Knarf mensen sowieso vreemd aan, want hij is nogal scheel. Bovendien haat hij mensen, dus als hij je al aankijkt is het met enorme minachting en cross eyed. Otto verdraagt hij om redenen die Otto zelf ook niet helemaal begrijpt. Nu kijkt hij Otto bijna hulpeloos aan, wat belachelijk is voor een kater dat vorige week nog een volwassen wild zwijn ving in het bos. Otto weet dat Knarf zich nu hondsberoerd voelt. Er moet nog iets uit. Er klinkt een diep geborrel uit de maag van Knarf, en hij begint weer te kokhalzen. De spasmen van Knarf’s lijf zijn nu zo heftig dat hij achteruit en ongecontroleerd met zijn grote kop van links naar rechts kronkelend door de keuken kruipt. En als Knarf z’n beide ogen dichtknijpt en zijn bek wijd open spert springt Otto naar voren met een teiltje en duwt het onder Knarf’s bek. Net op tijd, want dan spettert de kater een vieze, grauwe, stinkende en bruisende vloeistof in het teiltje. Een paar eetlepels, hooguit. Knarf kruipt met een voldane, maar ook beschaamde blik onder de tafel om zich eens uitgebreid schoon te likken, om te beginnen bij z’n gat.

Snel, voordat Knarf’s gal door de bodem van het teiltje heen vreet, giet Otto het spul in een keramieken kruik. Het is een heel potent goedje. Het is het beste verfafbijtmiddel dat Otto kent. Het lost tevens alle lijmsoorten op. Eigenlijk lost bijna alles er in op. Vanavond wilde Otto eens kijken of je er ook snel je oprit sneeuwvrij mee krijgt. Dus hij doet een paar druppeltjes in zijn grote gietijzeren tuingieter en vult het snel bij met water, voordat de gieter geen bodem meer heeft. God, wat stinkt het toch. Met zijn neus dichtgeknepen, giet Otto behoedzaam de inhoud van de gieter leeg over zijn oprit. Het resultaat is verbluffend. Sissend verdampt de sneeuw, maar er gebeurt meer. De klinkertjes worden ook nog eens brandschoon geëtst. Otto’s oprit is binnen luttele momenten niet alleen sneeuwvrij, maar ook vrij van alle mos en groene aanslag. Zelfs Otto is verbijsterd. Om zich een houding te geven lacht hij maar eens manisch: MOEOEOEHAHAHAHAHAAAAA!