koffie

Nog ’n Bokitootje Otto?

Hoe komt het dat een Guatamalese koffieboer een grote pluk Hollandse stro aan treft op zijn plantage?

Waarom verkneukelt Otto de Magiër zich erover dat zijn schele kater op een ochtend ontzettend nodig moet poepen?  

Op die bewuste ochtend loopt Otto de Magiër vrolijk fluitend naar de vaste schijtplek van Knarf, zijn monsterachtige kater. Hij duwt de takken van de grote, oude spar achterin zijn tuin aan de kant en woelt voorzichtig met een schep de aarde eronder een beetje om. Na even zoeken vindt Otto wat hij zoekt: een kuiltje vol met allemaal kleine, harde kattenkeuteltjes. Grinnikend graaft Otto de keuteltjes op. Tot nog toe loopt zijn plan op rolletjes. “Nee, hahaha, op drolletjes”, roept Otto uit. En met een plastic boodschappentas vol keuteltjes, dezelfde waarin hij eerst de in Guatamala geplukte koffiebessen had verzameld, loopt Otto naar de keuken. Daar pelt hij geduldig, 1 voor 1 de keuteltjes. In iedere keutel zit een grijs uitgeslagen koffieboon. Hij spoelt de bonen grondig schoon legt ze te drogen op de vensterbank, in het zonlicht.

Na een week of wat zijn de koffiebonen droog genoeg, en klaar om te worden gebrand. Otto aanschouwt ze tevreden in het licht van de volle maan. Het maanlicht geeft de bonen een magische glans.  Behoedzaam veegt Otto de bonen bij elkaar en stopt de meest potente koffiebonen die ooit hebben bestaan in een papieren zak. En met een knip van zijn vingers verdwijnt Otto, om even later te verschijnen bij zijn goede vriend Simon. Simon is koffiebrander, misschien heb je wel eens van hem gehoord.

Simon loopt door de branderij en voelt hoe zijn nekharen overeind gaan staan. Nagenoeg op hetzelfde moment hoort hij dit geluid: “fwwwwoep?!”. Simon kijkt rustig in de richting van het geluid en groet Otto met een opgestoken hand en een laag “heee”. Niet in het minst is Simon verbaasd dat Otto midden in de nacht op duikt. Otto steekt enthousiast van wal en laat hem de bonen zien. Simon steekt zijn neus in de zak en snuift de geur ervan op. Zijn ogen beginnen meteen te tranen en hij zegt: “jeeeesus, da’s goeie shit man. Is dat wat ik denk dat het is?”. Otto grinnikt en knikt enthousiast: “Ja, maar dan 100 keer beter”, en hij vertelt Simon het hele verhaal. 

Nu is het Simon’s beurt voor een stukje magie. Hij geeft Otto voor de zekerheid een gasmasker en zet er zelf ook eentje op. Dan gaat hij aan de slag met de in Knarf’s maag gefermenteerde bonen. Hij brandt ze driedubbel. Het resultaat is bijna twee en een half ons donkerbruine bonen die een magische zilverachtige glans hebben. Deze koffiebonen zijn zo potent dat alleen al de geur ervan je gegarandeerd drie dagen wakker houdt. Bij het malen van de bonen komt het potente aroma vrij, wat tot gevolg heeft dat alle mensen die in een straal van een halve kilometer rond Simon’s branderij wonen plotseling klaarwakker zijn.

Simon schept de gemalen koffie in het espressofilter en klikt het filter onder de espressomachine. Dan laat hij de machine zijn werk doen. Het apparaat puft en bromt en kraakt en perst dan druppelsgewijs een dampende, gitzwarte vloeistof in twee kleine koffiekopjes. Na een minuutje komt het apparaat sissend tot stilstand en zijn de kopjes vol. De damp die van de koffie komt heeft een magische zilverkleurige glans. 

Otto en Simon halen heel diep adem, nemen hun gasmasker af en houden hun adem in als ze de kopjes pakken. Ze moeten snel zijn, want het glazuur van de kopjes begint al te barsten. Zo snel als ze kunnen gieten ze de kleine kopjes leeg in hun mond. Even laten ze het in hun mond en slikken het dan door. Ze kijken elkaar dan plotseling met wijd opengesperde ogen aan, en beginnen over hun hele lijf te schudden. Uit alle poriën uit hun lijven parelt zweet. Zweet met een zilverachtige glans. Dan beginnen ze zich als bezetenen te krabben over hun borstkassen. Otto stoot een primair geluid uit en scheurt zijn hemd open, en ook Simon rukt zijn lab-jas, loeiend als Tarzan, open. Uit hun blote, kale basten schieten allemaal donkere haren, en binnen enkele seconden hebben de vrienden een borstkas waar Bokito jaloers op zou zijn. 

Verbijsterd nemen de vrienden elkaar op. Dan verschijnt er een manische grijns op hun gezichten en terwijl Otto alvast enthousiast met zijn hoofd knikt vraagt Simon: “nog ’n Bokitootje Otto?”

Advertenties

Kopi Knarf (deel II van het “Bokito-recept”)

Waarom worden de bewoners van tientallen huizen om onverklaarbare reden plotseling tegelijk klaarwakker? Waarom vangt Otto de Magiër een zwijn? Waarom voert Otto dit zwijn rijpe, topkwaliteit Arabica-bessen die hij zelf heeft geplukt in Guatemala? Welk noodlot is dit zwijn beschoren? Wat heeft dit met een Gorilla genaamd Bokito te maken?

~~~

Het bewuste zwijn vreet zich intussen helemaal vol aan de heerlijke, zoete koffiebessen, en is zich niet bewust van enig noodlot. Het schrokt de bessen met pit en al naar binnen. De trog gaat tot en met de laatste bes leeg. Daarna likt het zwijn de trog helemaal schoon. Teleurgesteld snuffelt het zwijn de schuur af naar meer van dat lekkers, maar vindt niets.

Buiten zakt een bloedrode zon langzaam achter de horizon. De laatste stralen komen door de kier van de deur. Het zwijn drukt zijn snuit tegen de kier en voelt dat de deur een beetje meegeeft. Meteen kruipt het beest recht achteruit tot het met zijn kont tegen de voedertrog komt. Dan zet het zich schrap en stiert met enorme vaart richting de deur. Met een enorme klap beukt het zwijn tegen de deur, dat al na de eerste klap uit een scharnier breekt. En al na de derde keer ramt het dikke zwijn dwars door de onderste helft van de schuurdeur, naar buiten.

Het zwijn schiet als een kanonskogel door Otto’s achtertuin. Alhoewel “tuin” het minst toepasselijke woord is voor het stukje land achter Otto’s huis. Het is net zo’n woekerende willekeur aan begroeiing als Otto’s eigen kapsel. Desalniettemin schiet het zwijn door die wildernis. Het zwijn beseft zich niet dat het ten dode is opgeschreven. Knarf, de gevaarlijkste huiskat van Europa (en reden dat zich in dit gebied geen wolven wagen) sluipt namelijk achter het malse zwijn aan. Het zwijn komt tot stilstand bij een doornige, wilde rozenstruik. Daar scharrelt het snuivend een beetje heen en weer, op zoek naar een doorgang.

Knarf weet dat die doorgang er niet is en zet zich schrap. Kop laag, alle zintuigen gespitst op het zwijn (hij ziet er eigenlijk twee), kont wiebelend en staart zwiepend van links naar rechts. En hij springt, dodelijk als een panter en lelijk als de nacht, op zijn prooi af. Even later dendert er een gillend zwijn door Otto’s tuin met om zijn nek een woest grommende kater. Knarf heeft zijn scheve maar krachtige kaken om de nek van het zwijn geklemd, als een pitbull. Het duurt niet lang voor het zwijn ineen zakt omdat zijn nekwervels zijn verbrijzeld.

~~~

Als Otto de deur van zijn geïmproviseerde zwijnenstal hoort versplinteren, schiet hij uit zijn stoel en rent via de achterdeur de tuin in. Hopelijk heeft het zwijn zich nog wel kunnen vol vreten, denkt hij bezorgd. Bij de schuur aangekomen ziet hij tot zijn genoegen dat de trog letterlijk schoon leeg is. Hij volgt het spoor van het zwijn. Met zijn zaklamp schijnt hij voor zich uit. En dan ziet hij het bloederige karkas van het zwijn. Vanuit de rozenstruiken klinkt een vervaarlijk gegrom. Otto ziet Knarf’s schele katteogen oplichten in de straal van zijn zaklamp. Mooi, denkt Otto, heel mooi, en hij wandelt tevreden terug naar binnen.

De volgende ochtend treft Otto zijn kater aan in zijn stoel. Het afzichtelijke beest trekt zijn scheve muil open en gaapt uitgebreid. “Gatver Knarf, je meurt ongelooflijk uit je bek”, zegt Otto, “wat heb jij nou weer gevreten?”. Knarf, ongevoelig voor dergelijke beledigingen, rekt zich uitgebreid uit en springt van de stoel. Hij sjokt naar de achterdeur en zet zijn klauw, met uitgestoken nagels tegen de laklaag van de achterdeur. Het is duidelijke taal: “doe de deur open of ik krab hem kaal”. Otto doet de deur voor Knarf open en zegt liefdevol: “Rot maar lekker op, schijtkat”

Knarf moet inderdaad ontzettend nodig schijten (het is niet anders, katten poepen niet, ze schijten). Zijn maag borrelt en bruist. Dat malse zwijn van gisteravond ligt abnormaal zwaar op zijn maag. Snel kruipt hij naar zijn vaste schijtplek onder een grote, oude spar die ondanks, of misschien juist dankzij Knarf’s uitwerpselen welig tiert. Knarf graaft een kuil en zijn gat hangt er nog maar nauwelijks boven of er schiet een hele batterij kleine keuteltjes uit. Knarf kijkt er verbaasd naar, maar graaft het dan snel, en beschaamd zoals iedere kat, dicht.

wordt vervolgd…

Otto rekent af met een telemarketeer

Terwijl Otto de Magiër zijn zelf gegrilde spare ribs zit af te kluiven, klinkt ineens het snerpende gepiep van het mobieltje dat hij vandaag in een opwelling heeft aangeschaft. Verbaasd en geërgerd neemt hij op (mond nog vol):

-jezuswiebelternoutijdensheteten…. Ja met Otto

– Een bijzonder goedenavond meneer…eh….

– Otto

– Ah, juist, meneer Otto. Zoals ik al zei, een bijzonder goedenavond! Mag ik een paar minuten van uw tijd meneer Otto?

– Ik zit nog te ete…

– Eet smakelijk meneer Otto! Het spijt me dat ik u in uw ongetwijfeld heerlijke maaltijd moet storen, maar ik heb geweldig nieuws voor u! Als u een paar minuten heeft voor het beantwoorden van een aantal vragen maakt u kans op een geheel verzorgde…blablabladieblabla…

Otto legt de telefoon op tafel en breekt nog een lekker stuk sparerib af. Een paar minuten later pakt hij het telefoontje weer op. De telemarketeer zit nog steeds te leuteren. Otto onderbreekt hem smakkend:

– Nog steeds niet uitgeleuterd?

– Eh…wat?

– Of je al klaar bent!

– Ik was nog midden in…wacht es even, heeft u wel geluisterd meneer Otto? Wij hebben echt een geweldige aanbieding voor u. En het is eenmalig!

– Ja dat zal wel. Hou maar op, want ik heb er een bloedhekel aan als ik word gestoord tijdens het eten. Hoe kom je eigenlijk aan dit nummer?

– Eh…volgens mijn computer heeft u onlangs…. 

fwoep! Otto verschijnt op magische wijze (hoe hij dat doet weet alleen Otto en het heeft te maken met ongelooflijk stinkende mazzel, maar dan extreem geconcentreerd) in een call center, vlak achter de stoel van een kereltje dat achter een computerbeeldscherm zit met een headset op zijn gladde, kale kop geklemd. Het kereltje hangt onderuit in zijn bureaustoel en is midden in een zin:

– …een mobiele telefoon aangeschaft, klopt dat?

JAZEKERRRRR! 

Het kale kletsertje schrikt zo hard dat hij het bekertje koffie dat hij in zijn hand heeft in de lucht gooit. Otto maakt een snelle handbeweging. Het bekertje en de plens hete koffie die er uit vliegt, blijft vlak voor het tegen het plafond komt, zweven, kalmpjes roterend. 

– Oei, dat is hete koffie die je daar omhoog gooit. Stel toch dat je die op je domme kale kop krijgt. 

Het kale kereltje is verstijfd van schrikt en kijkt langzaam naar boven. Uit de poriën van zijn kale kop druppelen allemaal kleine druppeltjes zweet. Dan draait hij zich om naar de duistere figuur achter hem. Het is een woeste kerel met in zijn ene hand een klein mobieltje en in zijn andere hand een stuk spare rib.Otto kijkt hem grijnzend aan en houdt zijn gloednieuwe mobieltje tussen duim en wijsvinger naar voren:

– Deze dus, en ik heb er nu al spijt van dat ik hem heb gekocht. Ik wordt namelijk steeds gebeld door vervelende kale mannetjes die iets van me moeten. Mannetjes die alleen maar praten en niet luisteren. Mannetjes die vooral heel graag naar zichzelf luisteren. 

Het kale kereltje komt weer een beetje toch zichzelf en trekt een grote geruite zakdoek uit de binnenzak van zijn colbert. Daar dept hij zijn kop mee af en leunt vervolgens weer achterover. Met open mond grijnzend neemt hij Otto zwijgend een aantal seconden op, maar Otto zwijgt stoicijns terug. Dan begint het kale mannetje lachend te ratelen:

– Ahaahahahahaaa, je hebt me goed te pakken hoor. Hahahaha. Pfjiew, is me dat schrikken zeg. Ik had het echt helemaal niet door. Wanneer wordt dit uitgezonden? En laat me raden, daar ergens is de camera verborgen…Toch? Jaaaahahahaha, ik heb het wel door hoor.

Otto kijkt hem meewarig aan en wijst naar boven. Recht boven de kale kletskop zweeft nog steeds het papieren bekertje en de plens hete koffie. Dan knipt Otto met zijn harige vingers. De blob zwevende koffie zweeft tegen het plafond en vormt daar een glanzend-zwarte plas. Vanuit het midden zakt er een dikke vette druppel uit de plas. De koffie gedraagt zich als stroop. De druppel zakt langzaam, een dikke koffiestroopdraad trekkend, in de richting van de kale kop. 

– En wat vind je van die special effects? Ongelooflijk wat ze tegenwoordig allemaal kunnen met computers hè? 

De mond van het kale ventje gaat open, en weer dicht, en weer open. Otto stapt snel naar voren en duwt het mobieltje in de open mond van de telemarketeer en duwt dan met zachte hand de onderkaak van het ventje omhoog. Met Otto’s mobieltje tussen zijn tanden kijkt het kale mannetje naar de dikke druiper koffiestroop die van het plafond druipt. 

Otto plukt het bekertje uit de lucht en zet het voorzichtig op de kale kop, precies onder de gestaag zakkende koffiedruiper. Dan draait hij zich om en loopt weg. Als hij bij de uitgang van de ruimte is, draait hij zich nog even om en zegt:

– Als ik jou was zou ik zo blijven zitten en niet bewegen, want hoe verder ik weg ben, hoe meer die koffie zich weer herinnert hoe het is om gewoon vloeibaar en vooral kokend heet te zijn. 

Het zweet parelt alweer van de kale kop. De arme drommel heeft zijn ogen nu stijf gesloten, in anticipatie op een plens hete koffie. Uit de keel van de kaalkop komt een benepen piepgeluidje. Maar Otto loopt de ruimte uit en trekt de deur achter zich dicht. Tevreden grijnzend en zichtbaar met zichzelf ingenomen knipt Otto nog eens met zijn dikke vingers. Vanachter de deur klinkt het typische geluid van een door kortsluiting sissend en vonkend stuk electronica.

fwoep!, klink het zachtjes in de gang, maar dat komt niet uit boven het gegil van het arme kale mannetje. Het gegil begint als noodkreet, maar gaat over in een opgelucht gegiechel als hij zich beseft dat die hete koffie heus niet op zijn kop is gevallen maar in plaats daarvan in zijn nog na-knetterende en gestorven computer.

Koffie, een topdrug!

Ooit kreeg ik eens de twijfelachtige eer mezelf koffiesnob te mogen noemen (dus een koffieleut die denkt dat hij in wezen een betere koffieleut is dan anderen op grond van afkomst, kennis, intellect of rijkdom). Ik mikte het toen denk ik vooral op kennis en intellect om mijn afkomst en rijkdom te camoufleren. Intussen weet ik beter, alhoewel ik laatst toch nog een uitspatting van koffieleuterij had. Altruistisch als ik ben deelde ik namelijk het geheim van een lekker bakkie met de wereld.  

Eigenlijk ben ik gewoon een ordinaire koffieverslaafde. Als de koffienood hoog is, maakt de smaak me bijna niet meer uit. Als er maar caffeïne in zit. Gelukkig hoeven koffieverslaafden zich momenteel geen zorgen te maken, want koffie drinken blijkt verdacht goed voor je te zijn. Het remt Alzheimer, verkleint de kans op Parkinson, beschermt tegen kanker en diabetes, verhoogt je uithoudings- en concentratievermogen en je wordt er gelukkiger van. Kortom: een topdrug.

En zelfs met de koffieprut uit je koffiefilter kun je ook al louter goed doen. Het houdt slakken, luizen en ander ongedierte uit je tuin, terwijl het tegelijkertijd uitstekende bemesting vormt voor je plantjes. En de geur ervan zorgt er ook nog voor dat de poes haar behoeftes in de tuin van de buren doet. Dan kun je met koffiedik ook nog je handen ontvetten en helpen voorkomen dat je gootsteenafvoer verstopt raakt en dat deze ook nog eens niet stinkt. En koffiedik is 100% biologisch afbreekbaar ook nog. Ik zei het toch: een topdrug.

Als je al een nadeel zou kunnen opnoemen over koffie, is dat je er misschien dik van wordt. Ha ha, koffiedik! Vat je hem? Koffiedik. Ach, ik sta zo stijf van de cafeïne dat ik veel te gelukkig ben om me druk te maken over die paar kilootjes. En het is waarschijnlijk toch koffiedik kijken dat je dik wordt van koffie. Nog een positief effect van koffie dus: verhoogd relativeringsvermogen. Wat een topdrug.

Het geheim van een lekker bakkie

image

Dit wordt mijn geitewollesokkigste verhaal ooit, maar ik ben nou eenmaal in die stemming. Het kan zo de Libelle in, zo erg. Het komt door het heerlijke, zonnige herfstweer buiten. Ik kreeg spontaan zin in een strandwandeling in een trui met kabelpatroon die ik niet heb, maar toch. En natuurlijk gaat de gezinslabrador – die ik ook niet heb, maar toch – ook mee. En als ik dan thuis kom wil ik natuurlijk een perfect, ouderwets bakkie. Geen moderwetse turbokoffie uit zo’n yuppiemachine (die overigens wel in onze keuken staat, maar toch), maar een eerlijke kop dampende, zelfgezette koffie.

Lekkere koffie hangt voornamelijk af van versheid, reinheid en rust. Zo voel ik dat. De koffie is vers gemalen. Waar de koffie vandaan komt is opzich ook heel bepalend voor de smaak, maar koffie gezet van ranzige, raszuivere Guatamalaanse Antigua (mijn favoriet) is ook niet te zuipen. Versheid voorop dus. Gemalen koffie blijft hooguit drie dagen goed. Ongemalen, gebrande bonen kun je ook maar enkele weken bewaren. Daarom drink ik dus ook zoveel koffie, want het bederft heel snel.

Koffiebonen zijn eigenlijk de pitjes van de vruchten (het lijken net kersen) van de koffieplant. Die pitjes worden door de koffieboer gewassen en gedroogd. Dat proces is al bepalend voor de smaak, maar daar heb je als gewone Hollandse koffieleut weinig invloed op. Die gedroogde pitjes bevatten de olie die dat heerlijke aroma aan de koffie geeft. Ze zijn in gedroogde, ongebrande vorm trouwens maanden lang houdbaar. In de koffiebranderij worden ze geroosterd tot de boontjes barsten. Vanaf dat moment kan de olie er veel sneller uit “lekken”. Er vindt één of andere chemische reactie met de lucht plaats geloof ik, maar hoofdzaak is dat de belangrijkste smaakbepaler na het branden van de bonen sneller vervliegt. Een kwestie van enkele weken en je kunt je gebrande bonen weggooien. Als je die bonen maalt vervliegt de olie nog sneller vanwege het veel grotere contact met de lucht. Vacuüm verpakken kan de houdbaarheid dus aardig verlengen, maar ik drink maar gewoon veel koffie.

Die olie zet zich tijdens het zetten van de koffie af in je koffiezetapparaat. In de pot, in het filter, in al die leidinkjes van de ingewikkeldere apparaten. Die olie wordt ranzig en gaat een vieze smaak aan je koffie geven. Kortom: hou je apparaat goed schoon. Op kalkaanslag blijft nog meer olie zitten, dus regelmatig ontkalken. Denk ook aan eventuele potten waarin je je koffiebonen (of gemalen koffie)bewaart. Maak ze goed schoon voor je er nieuwe koffiebonen in doet. De Duitse bierbrouwers hebben hun Reinheitsgebot voor bier. Voor koffie geldt eigenlijk hetzelfde.

En dan rust. Neem de tijd. Geniet van het riteel van het koffie zetten. Bijkomstig effect is dat je zorgvuldig te werk gaat. Mijn fijnste lekkere bakkie is ouderwetse Hollandse filterkoffie. Ik pas precies genoeg water af (1 kopje per maatschep koffie) en zet de waterkoker aan. Terwijl het water kookt maal ik de bonen. Ik doe de heerlijk geurende, gemalen koffie in het koffiefilter. Dan klikt de waterkoker uit. Ik laat het hete water 1 à 2 minuutjes staan (te heet water maakt de koffie heel smerig, ik weet niet hoe het komt, rond 85 graden celcius schijnt ideaal te zijn) en spoel ondertussen de thermoskan met heet water om. Dan zet ik de filterhouder op de pot en giet heel rustig de waterkoker er in leeg. Met een druppelstraaltje waarbij ik rondjes draai boven het filter. De zalige geuren die in mijn neus drijven, de prachtige kleuren van de schuimlaag op de koffiedrab in het filter en de zonnestralen die door het keukenraam op mijn handen komen, brengen mij in die Libelleske geitenwollensokkenstemming. Ik kan er niks aan doen.

Post content

De blogger klapte zijn laptop open waardoor het ding met een schor piepje ontwaakte uit zijn sluimertoestand. Even later toonde het de blogger zijn meest gebruikte programma: een webbrowser dat hij had uitgedost met allerlei snufjes, waaronder een blogverwerker dat nog open stond. Het toonde een nog maagdelijke blogpost. Lege titel en ook het vlak onder “post content” was nog leeg.  

Lange tijd staarde hij eerst naar het nog lege, witte vlak. Zijn vingers beroerden zachtjes het toetsbord, alsof hij het voor het eerst in zijn leven aanraakte. De toetsen beantwoordden zijn streling met een zacht maar bemoedigend geratel. Hij drukte voorzichtig de shift-toets in, alsof hij bang was dat hij aan de andere kant van het web een orkaan zou veroorzaken. Weer staarde hij naar het nog immer blanke vlak. “Post content”, dacht de blogger verdwaasd.

Het lege vlak leek groter te worden deste langer hij ernaar staarde. Daarom klapte hij zijn laptop geirriteerd, met een klap dicht. Zuchtend gooide de blogger zijn laptop in de hoek van de bank en stond op om een kop koffie te tappen. Hij trok de pot met koffiepads open en keek er in. Er zat nog precies 1 pad in. De blogger stak zijn neus even in het blik en haalde het er vol afgrijzen weer uit. De pad rook naar een vochtige, bruine, papieren zak. Desondanks legde hij het toch in de senseo en liep even later met een kop heet slootwater terug naar de bank.

De blogger nam een slokje slootwater en probeerde smakkend de smaak van koffie te zoeken in zijn mond, maar hij had net zo goed een slok afwaswater kunnen nemen. Hij pakte zijn laptop maar weer en klapte het weer open. “Post content”, dacht de blogger weer, “post content…”. Die twee woorden bleven hem maar bezig houden. Hij typte het daarom maar eens in het titelvak. In het grote vak eronder schreef hij om te beginnen maar eens:

Wees een vent en schrijf dan in godsnaam maar iets over post content!!!! 

Vaak moest hij namelijk gewoon beginnen met schrijven. Het maakt niet uit wat. Gewoon beginnen en zien wat er uit zijn vingers zou komen. Wat er nu stond was natuurlijk wanstaltig, maar hij liet het toch staan. Om zichzelf uit te dagen. Hij zette de dialoog met zichzelf maar eens op scherp: “Wat een waardeloze eerste zin! En dan die belachelijke uitroeptekens! Kun je echt niet beter vandaag!?”. Als antwoord kreeg hij alleen wat gestamel en een geërgerde zucht. 

Nijdig zette de blogger, om zichzelf te ergeren, er nog 80 uitroeptekens bij en wenste toen dat hij de tekst ouderwets en woest uit de laptop kon trekken om het te kunnen verfrommelen en in een hoek te smijten. In plaats daarvan tilde hij zijn arm op en liet zijn vinger zwaar op de backspace landen. Letter voor letter vermoordde hij dit afstotelijke kind. Een belangrijke vaardigheid voor een schrijver: je aan je eigen hoofd ontsproten creaties kunnen ombrengen. Tevreden keek hij naar het resultaat: een leeg vlak. “Wis content”, dacht hij nu triomfantelijk. 

“Post content”, stond er nog steeds in de titel. “Ach!”, dacht de blogger ineens, en sloeg zich zo hard tegen zijn hoofd dat het gonsde. “Wat een bak!”, riep hij toen uit, “maar dáár zit wel een geinig stukje in!”. En toen schreef hij het hele voorval in één ruk van zich af, om er maar vanaf te zijn. Toen hij klaar was las de blogger zijn woorden nog eens door. Niet bepaald de sterren van de hemel geschreven, maar dit kind wilde hij wel een kansje geven, dus hij postte het zonder aarzeling naar zijn blog. “Post content!”, sprak de blogger tevreden en sloeg zich lachend op zijn knie.

Struisvogel versus nijlpaard.

Gek genoeg stond er op een ochtend ineens een nijlpaard in de achtertuin. Het beest maakte een verwarde indruk maar zag er verder gezond uit. Ik kreeg het gevoel dat ik iets moest doen. Er werd iets van mij verwacht. Maar wat? Ik besloot om een kop koffie in te schenken in de keuken. Na een kop koffie ziet de wereld er vaak eenvoudiger uit.

Nippend aan een dampende espresso liep ik terug naar de woonkamer. Ik keek strak naar de grond, want pas als ik de koffie op zou hebben zou mijn tuin er weer zo eenvoudig uitzien als het er altijd uitzag. Met mijn ogen dicht genoot ik overdreven van de veel te bittere, hete koffie. Even later was mijn kopje leeg en had ik er spijt van dat het geen dubbele espresso was. Ik haalde me mijn tuin voor de geest, nog steeds met de ogen gesloten. Met extra energie verdrong ik het beeld van een nijlpaard: ik maakte als het ware een antinijlpaard. Langzaam opende ik mijn ogen.

Het nijlpaard bleef onvermurwbaar realistisch. Draaiende met zijn (of haar?) staart sproeide het dier een zeer realistische fontein van nijlpaardenpoep over mijn gazon. Weer hing die verwachting in de lucht. Ik stond op het punt om dan maar de dierenbescherming te bellen, maar ik bedacht me. “Wát staat er in uw achtertuin???” Bovendien leek het nijlpaard niet in nood te zijn. Het had hooguit honger, maar dat probleem werd al door het gazon dat nodig moest worden gemaaid, opgelost.

Geen dierentuin in de buurt, maar nijlpaarden blijken ’s nachts, terwijl ze op zoek zijn naar graasland, met gemak 10 kilometer te kunnen wandelen. Wie weet had mijn nijlpaard tijdens zijn dwaaltocht al diverse gazonnetjes kaal gegeten. En daarin zat dan ook de oplossing van mijn situatie. Het nijlpaard zou vanzelf wel weer verder gaan als het in mijn tuin geen voedsel meer kon vinden. Gelukkig, ook deze uitdaging kon worden aangevlogen met de struisvogelmethode. Ik hoefde alleen maar te doen alsof er niets aan de hand was en wachten tot het vanzelf een probleem werd van iemand anders.