natuur

Van onderen!

Het schijnt winter te zijn, maar de paddestoelen tieren nog welig in het bos. Nou ja, heel talrijk zijn ze niet meer, maar er zijn er nog genoeg. Ik kan het nooit nalaten om ze te fotograferen. Dan zie je mijn diep gebukt in de bladeren zitten zodat ik de paddo in kwestie van zijn mooiste kant kan kieken: van onderen!
image

image

image

Schapenbloemen

We zijn op weg terug naar huis na een te kort weekje camperen in het bos en rijden langs een weide die geel ziet van de paardenbloemen. Het is een schitterend gezicht. Ik wijs ernaar en zeg tegen ons kleuterjochie: “Kijk eens, heeeeel veel paardenbloemen in de wei! Zometeen komen de paardjes om ze op te eten”. Het ventje, dat naast me zit, kijkt maar buiten en speurt naar paardjes. “Waar zijn de paardjes nu dan, papa?”, vraagt hij dan. Ik antwoord: “Ik weet het niet. Misschien zijn ze ook wel op vakantie”.

Daar neemt mijn ventje blijkbaar genoegen mee, want hij geeft geen commentaar. Maar even later rijden we langs de ijsbaan. Nu is het gewoon een groen, weitje met alleen maar gras. Er loopt een handvol schapen op. “Kijk papa!”, roept ‘ie dan ineens, “de schaapjes hebben de schapenbloemen allemaal al opgegeten!”. Die ijzeren logica heeft ‘ie natuurlijk van zijn vader, dat is duidelijk.

Drietenig monster op mosgroene sloffen

Waarom draagt het drietenige monster groene sloffen? Om niet op te vallen tussen de varens? Of in veld met kropsla? Ik weet ook niet wat het hier dan tussen de rottende bladeren zocht. Zijn mosgroene slof leek haast wel licht te geven. Sowieso steken de mossen nu heel sterk af tegen al die grauwbruine, rottende blaren. In eerste instantie dacht ik ook dat het om een boomvoet ging met mos op de wortels, maar schijn bedriegt! Het monster staat in het bos achter de radiotelescoop aan het Dwingelderveld. Als je er heel zachtjes langs sluipt, ziet ‘ie je misschien niet.

Hoe haalde Johannes het ook in zijn razende bol

Op de dag dat de wereld had moeten vergaan, op mijn verjaardag for crying out loud, strandt er een bultrug op de Razende Bol. Bultruggen kunnen heel goed overweg met ondiepe zeeën zoals de Waddenzee. Toch liep dit dier vast op een zandbank. Maar Johannes hoefde niet te vrezen, want dankzij de dappere lieden van de Ecomare kwam hij prompt weer vrij. Dat moest. Bultruggen horen niet te stranden. Dat is tegennatuurlijk natuurlijk. Hoe haalt dat domme beest het ook – ik kon de woordgrap niet nalaten – in zijn razende bol. 

Dankzij Johannes hebben we er nu een gezegde bij: alleen een bultrug strandt twee keer op dezelfde zandbank. Dom zeg. Ja, maar wat nu als Johannes met opzet op die zandbank wilde stranden? Hij verzette zich toch bij de verwoede reddingspogingen? Hebben ze eigenlijk wel geprobeerd met Johannes te communiceren? Er loopt vast wel ergens een bultrugfluisteraar rond. Dan hadden ze misschien kunnen weten dat Johannes zwaar depressief was. Kotsmisselijk van het slechte milieu. Johannes was misschien wel gewoon klaar met leven. 

Ik was blij toen eindelijk werd besloten om het dier met rust te laten. Let it be. Nu is Johannes doodgelukkig. In de lucht boven de Razende Bol draaien aasgieren rondjes. Het water loopt ze uit de bek. En als ze Johannes tot op het bot hebben afgekloven slepen ze zijn geraamte naar Leiden. Ik zie het voor me. Tegen een bleke hemel afgestoken fladdert in het gloren van de kille ochtend een groep machtige aasgieren met een 12 meter lang bultrugskelet in hun klauwen. Van Texel naar Leiden. Van lijden naar Leiden.  

R.I.P. Prikkie

We hadden niet echt een band hoor, Prikkie en ik. Ik weet niet eens zeker of we überhaupt wederzijds bevriend waren. Laatst kwam je ineens bij m’n vuurkorf scharrelen toen ik wat takken aan het verbranden was in de tuin. Ik geloof dat toen ongeveer onze vriendschap begon. Althans, van mijn kant. Je was een prikkelig tiepje, maar dat staat vriendschap niet in de weg, leek mij.

Maar toen vonden we je ineens bij onze voordeur. Ach kleine Prikkie, wat deed je daar nou? Egeltjes horen fijn onder blaadjes te scharrelen en zich lekker vet te mesten voor de winterslaap. En jij was nog lang niet vet. Je was nog maar een klein hummeltje dat nog heel veel wormen, slakken en insecten moest eten. Was je soms ziek? Het komt vaak voor dat egels ziek worden van parasieten door het eten van slakken en wormen.

We dachten eerst dat je al ging winterslapen, dus we zetten je onder de buxes tussen de bladeren. Een heel rustig plekje, waar je lekker beschut zat. Toen leefde je nog, want je bewoog toen we je stekels aanraakten. Maar ik maakte me zorgen. Ik vond het nog wel vroeg voor de winterslaap. Je was ook nog niet groot en zwaar genoeg.

Toen ik na een tijdje weer eens bij je ging kijken, vond ik dat je er wel heel levenloos uitzag. Ik besloot om je in een doos te doen en binnen neer te zetten, zodat je weer op temperatuur kon komen. Ik legde zelfs een warm kruikje in de doos. De volgende dag bracht ik je naar een egelopvang (stichting ’t Egelhuus) in Havelte. Een lieve, oude dame woont daar in een prachtige woonboerderij met tientallen egels. In haar woonkamer was de afdeling intensive care.

De oude egelverpleegster zag het meteen: ze noemde je een miserabeltje. Hartstikke dood. Maar ik had alles gedaan wat ik kon doen, verzekerde ze mij. In de intensive care stonden een stuk of 8 egelziekbedjes. Eentje bleek zwaar getraumatiseerd door het verlies van zijn broertje die voor z’n ogen werd platgereden. Deze zou het waarschijnlijk ook niet overleven. En op de deel logeerden nog 16 egels, die al flink waren aangesterkt dankzij haar goede zorgen.

Maar voor jou was het al te laat. Ze bedankte me voor alle moeite die ik voor je heb gedaan. Ach, ’t was geen moeite. “Ik help ieder dier in nood, ook al is ’t ie waarschijnlijk al dood”, zei ik glimlachend. De Lenie ’t Hart van de Egeltjes knikte daarop vriendelijk maar wees mij daarna kordaat weer de deur. Bij de deur zei ze nog dat ik je thuis maar even op een rustig plekje moest begraven. En die laatste eer heb ik je natuurlijk bewezen.

R.I.P. Prikkie.

Zwamzilla

Tijdens de zondagse boswandeling met deze keer alleen de kinderen (ma zat met een zweepslag te balen op de bank) kwamen wij deze monsterachtige zwam tegen. Hij groeit pontifikaal midden op een boomstronk, direct in het zicht. Het is een monster. Minstens 40 cm in doorsnee en 20 cm dik. Het is een ijdeltuit bovendien. Kijk mij nou lekker zitten te schimmelen op deze stronk. Aanschouw mijn gruwelijke schoonheid.

De enorme zwam zit te pronken in de volle zon en trekt onmiddelijk de aandacht van de kinderen die er met hun nieuwe fototoestelletjes om heen lopen te flitsen. Als een filmster baadt de zwam in al die aandacht. Hij had een rol kunnen spelen in de Muppet Show. Hij ziet er uit alsof hij elk moment zijn enorme muil open zou kunnen sperren om mijn niets vermoedende kindertjes op te slokken. We laten Zwamzilla maar snel met rust, je weet maar nooit.

Voor zover ik kan beoordelen met behulp van SoortenBank.nl, is het een geelbruine plaatjeshoutzwam. Vrij algemeen, staat erbij. Pff, maar zo groot zie je toch maar zelden.

Gezwam

image

Er wordt al weer driftig gezwamd in ’t bos, dus ik doe ook maar eens mee. Het zwamgeval op de foto liet zich in het zonnetje even van zijn mooise kant zien. Maar wat is het voor soort zwam? Het lijkt wat op de gewone vuurzwam, maar ook op de zwavelkop. Of is het een of ander wasplaatje? Dankzij google kan iedereen zwam-o-loog spelen.

Als je de namen ziet die men zoal aan zwammen en paddo’s heeft gegeven, krijg je het vermoeden dat iedere variant op een bekende soort tot een nieuwe wordt gebombardeerd. Dat kan ik ook. Ik noem mijn zwam de gouden zwartwordende zwavelkopvuurzwamzwetsplaat.

Maar zeg eens, wat is dit voor zwam?

Eikel met Wortelnijd?

In Zweden zag ik deze monumentale eik. De boom is ontzagwekkend dik. Op het oog minstens twee meter. Het ventje (mijn zoon) dat er een beteuterd naast staat zou met gemak languit kunnen liggen in de boom. Iemand vertelde me dat de eik meer dan 500 jaar oud is. De eikel waaruit deze boom is ontsproten schoot dus ergens aan het eind van de middeleeuwen wortel. 

De eik staat op het terrein van een oude en beetje vervallen camping aan het grote Vänern-meer. We staan er met onze tent tussen dikke, bejaarde berkenbomen (en dikke, bejaarde Zweedse campeerders die alleen uit hun dikke caravan kwamen om óf naar de wc te gaan óf het gras om hun caravan te maaien). ’s Nachts zou het er heel stil zijn als de aftandse ijscovriezer in het kiosk-gebouwtje niet zo bromde. Het bromde niet heel hard, maar draaide niet continu. Als de vriezer zich uitschakelde werd de stilte even hoorbaar, tot het kreng weer aan sprong.

Toch sliep ik er heerlijk en in de laatste nacht op de camping had ik een bijzondere droom:

Ik loop midden in de nacht blootsvoets in een dun, hagelwit gewaad door een dicht woud van spierwitte berken. Het is heel helder en bijna volle maan. Mijn adem beslaat, maar ik heb het niet koud. Ook is het doodstil. Ik hoor geen enkel geluid behalve mijn eigen ademhaling en het gedempte ritselen van mijn eigen voetstappen in het zachte mos. Door de bomen zie ik het spiegelgladde wateroppervlak van het meer. Vastberaden loop ik in de richting van het meer. Het woud wordt minder dicht, en de berken worden steeds dikker.

Dan gebeurt het. Ik kom steeds moeizamer vooruit. Het kost me steeds meer moeite om mijn voeten op te tillen. Ik kijk naar mijn voeten. Ze zijn spierwit en zien er pezig uit. En het gewaad dat ik draag lijkt wel van spinrag. Het hangt in losse flarden om me heen. Steeds moeilijker kom ik vooruit. Mijn voeten komen steeds vaster in de grond te zitten en mijn benen worden steeds zwaarder en stijver. Er steekt een zachte, koele bries op vanaf het water. De raggen om mijn lijf waaien helemaal van me af, maar ik voel geen kou. De berken om me heen fluisteren geruststellend: “Shhhhhh, het is goed. Shhhhhhh”.

Op enkele meters voor de waterkant kom ik tot stilstand. Ik kom nooit meer vooruit, weet ik, maar ik voel me volkomen op mijn gemak. Ik kan me bijna niet meer bewegen. Ik kan mijn armen nog één keer optillen. Ik kijk naar mijn linkerhand, maar zie een dikke tak. Mijn rechterarm is ook een tak. Ik verander in een eik. Dat wat ooit mijn voeten waren zit ergens heel ver onder me, diep in de aarde. En dan groeien mijn ogen dicht en de wereld verstomt. Eindelijk zíe ik. Opgelucht blaas ik mijn longen leeg. Alles is goed.

Rare droom vol clichématige symboliek. Ik onderga in mijn droom gelaten een metamorfose die ik best griezelig vind. Mijn interpretatie is dat ik de eindigheid van het leven niet moet bestrijden, maar juist omarmen. Moet ik loslaten om echt goed te kunnen wortelen? Moet ik me ontdoen van omhullingen omdat ze me belemmeren te voelen? Moet ik mijn ogen en oren sluiten om echt te kunnen zien? Of ben ik gewoon een eikel met wortelnijd?

Milieubarbaren!

Rij ik te genieten van de mooie natuur om me heen, rijdt er voor mij zo’n uitgeleefde roestbak op wielen ten eerste al smerige dampen te walmen, draait de bijrijder het raampje open en komt me daar toch een gore rookwolk uit dat raam! En dan flikkert die ranzige slons tot overmaat van natuurramp ook nog eens de inhoud van zijn asbak leeg in de berm!! Gadverdegadverdegadver! Milieubarbaren!

….

oooooooooooohmmmmmmmmmmmmmmmmmmm