normen&waarden

Dankjewel voor het lekkere leven

dochter: Mag ik van tafel?

papa: Zijn we dan allemaal al klaar met eten?

dochter: O, nee. (mondje pruilt, diepe zucht) Waarom dúúrt het zo lang?

papa: Hee, hou es op met je gezeur. We wachten altijd netjes tot iedereen klaar is met eten

dochter: Ja, hallo, ik ben al lang klaar hoor! (fronsende wenkbrouwtjes, armpjes boos over elkaar)

papa: Zo, nu is iedereen klaar met eten. Zeg maar…hooo, waar ga jij heen?

dochter: Ja, hallo! Iedereen is toch klaar, dan moch ik toch van tafel ja?!

papa: eerst nog even?…

dochter, verbolgen mompelend: O. Ja. dankjewelvoorhetlekkereetenzeggen…

papa: heel goed. nou, toe dan?

dochter, heel snel terwijl ze even snel tegen haar stoel aan leunt in plaats van even weer te gaan zitten: Dank-je-welllll voor het lekkere eten – en zoef weg rent ze.

Mijn zoontjes zeggen het deze keer wel heel netjes met aureooltje boven hun schijnheilige koppies en armpjes overdreven netjes gevouwen…

Het gaat niet altijd zo hoor, maar wel vaak. Het zijn simpele regeltjes die wij heel belangrijk vinden. Eten doen we zoveel mogelijk gezamenlijk, en we wachten netjes tot iedereen is uitgegeten. Treuzelaars daargelaten, dat ook wel weer.

Dat “dankjewel voor het lekkere eten” zeggen is onze manier om heel kort even stil te staan bij het feit dat we gezond zijn en weer een bord vol eten hadden. Wij bidden niet en gaan alleen naar kerken om ze te bezichtigen. Gezond zijn en iedere dag 3 maaltijden kunnen nuttigen is niet vanzelfsprekend en moet je gewoon dankbaar voor zijn.

En ik vind eigenlijk dat iedereen die een gezond en gelukkig leven heeft gehad, voordat de laatste adem wordt uitgeblazen nog even netjes zegt: “dankjewel voor het lekkere leven”.

Powered by ScribeFire.

Advertenties

Realtime Tao

Ken je het woord “realtime”? Helemaal van deze tijd, dat woord. Misschien denk jij bij dit woord ook aan snelheid en nú gebeurende dingen. Het bestaat uit twee delen: real en time. Los van elkaar weet iedereen wat de woordjes betekenen. Bij real denk ik zelf aan echt en waar, en bij time denk ik aan tijd. Waarachtige, echte tijd. Dingen die in echte tijd gebeuren, gebeuren echt én keurig op tijd. Snel is dan maar een relatief begrip die je er zelf aan toevoegt. De belofte dat het binnen de verwachte tijd gebeurt is de kale betekenis. Een duidelijk geval van Yang.

Dan is er ook een Yin-kant. Dat moet, want anders is er geen balans en vallen we om. Ik zie drie mogelijkheden: valse tijd, echt tijdgebrek en vals tijdgebrek.

valse tijd:
Dingen die in valse tijd gebeuren, gebeuren niet echt of op oneerlijke wijze, maar wel keurig op tijd. Ik kom dan uit op tijdig bedrog.

echt tijdgebrek:
De tegenhanger van tijd is tijdloosheid, tijdgebrek. Dan krijg je dat dingen echt niet op tijd, of echt nooit gebeuren. Er is wel een belofte, maar geen tijd, dus gebeurt er echt niks. Dan kom je dus al net zo bedrogen uit: valse beloftes.

vals tijdgebrek:
De combinatie levert vast niks beters op. Het gebrek aan tijd is dan gebaseerd op een leugen. Er wordt een smoes verzonnen om iets niet te hoeven doen. Iets dat niet gebeurt onder het mom van vals tijdgebrek zou prima kunnen gebeuren binnen redelijke tijd, maar er zijn andere belangen die verzwegen worden, verschuilend achter een te volle agenda. druk druk druk!

Heel duister dus die Yin-kant van realtime. We moeten er blijkbaar mee leven, want anders kan de Yang-kant niet bestaan. De Yang-kant stellen we erg op prijs, want de dingen gebeuren wis en waarachtig op tijd. Maar hoe zit het dan met de uitdrukking: eerlijk duurt het langst? Ach, als het maar binnen afzienbare tijd echt gebeurt, vind ik het allemaal nog heel Yang.

Powered by ScribeFire.

Zinloos verkeersgeweld

De dag kriekt, dus gaat mijn wekker af. Ik dwing mijn lichaam weer wakker. Uiteindelijk is daar toch een plens ijskoud water in mijn gezicht voor nodig. Mijn dochtertje komt half slapend de badkamer in om naar de wc te gaan. Die kruipt straks fijn bij mama, op mijn nog warme plekje.

Minuten later werk ik mijn glaasje sju met vitamine totaal pil naar binnen. Ik duw er ook nog een plak ontbijtkoek achteraan. Niet omdat ik al honger heb, maar om later niet van mijn graat te vallen. Ik vul mijn thermosflesje met een dubbele senseo, pak mijn gisteravond gesmeerde lunchpakketje uit de koelkast en stop alles in mijn rugzak. Alles gereed voor mijn forenzenreis.

Zachtjes doe ik de voordeur van het slot. Ik hoorde piepje noch kraakje, maar de rode knor wel. Hij komt klaaglijk mauwend uit de struiken met een vraagteken in zijn staart. Knorrend strijkt hij langs mijn benen, blij dat hij naar binnen mag. Op de oprit ligt een dooie muis. Die gaat in de GFT-container die ik toch bij de weg moet zetten. Een respectloos graf eigenlijk, maar verder sta ik er niet bij stil.

Volgens mijn weerstationnetje in de hal zou het buiten -1,1 graden moeten zijn, maar de gevoelstemperatuur is veel lager. Mijn wereld blijkt in nevels gehuld en ik moet ijskrabben. Het gaat allemaal van mijn tijd af. Op weg naar Meppel rijd ik daarom te hard door de mistflarden en haal een trage trekker in met onvoldoende zicht. Ik word ingehaald door nog grotere idioten, maar die rijden dan ook in Duitse merken. Van schrik word ik verstandig en ga rustiger rijden. Als blijk van waardering voeren de optrekkende nevels een schitterende dans voor me op in de gouden stralen van de dagende zon. Over een half uur gaat er heus nog wel een trein.

Op de snelweg rij ik rustig achter een vrachtwagen en sla ik Meppel in. De zwarte Audi die achter mij zat te drammen schiet ineens naar voren en duikt vlak achter de vrachtwagen en vlak voor mij, plompverloren op dezelfde uitrit. Boos toeterend en lichtend tier ik hem na. Onbeholpen zak! Hij neemt daarna dezelfde route als ik en we komen allebei ruim op tijd aan bij station Meppel. Verschillende levens werden weer eens nodeloos op het spel gezet. Zinloos verkeersgeweld.

Powered by ScribeFire.

Vloeknood

Je ziet ze regelmatig, die grote posters van de Bond Tegen Vloeken met teksten zoals “Een Vloek Stoort” of “Vloeken? Natuurlijk Niet!”. Ik stoor mij op mijn beurt dan weer aan die posters. Begrijp me niet verkeerd, ik loop heus niet de hele dag te vloeken, maar ik ben ook maar een mens. Als ik heel hard mijn teen stoot, helemaal als die teen al zeer deed omdat er eerst een hamer op is gevallen, dan móet er heel nodig een vloek uit. “Potjandorie”, doet het dan niet echt voor me. Dat is gewoon niet rauw genoeg. Hartgrondig en luid een opperwezen dringend verzoeken mij in zijn naam te verdoemen, lucht nou eenmaal ontzettend op.

Vloeken is eigenlijk vergelijkbaar met niezen. Als je lijf niest, wordt met ongelooflijke kracht je neus verlost van prikkelende stoffen. Dat is bijna niet in te houden. Veel mensen doen dat uit sociale overweging vaak wel, waardoor je neus blijft kriebelen en de niesnood nog niet over is. Als je vloekt worden met ongelooflijke kracht je hersenen verlost van pijnprikkels. Hou je een vloek in, dan blijven de prikkels in je hoofd en is de vloeknood nog niet over.

Gek genoeg hou ik me bij mijn kinderen dan wel weer in als ik moet vloeken. Ik loop dan bijvoorbeeld op mijn sokken door het huis en stap dan in een punaise. Er ontstaat dan acuut een heel hoge vloeknood. De tranen schieten in mijn ogen en mijn longen zuigen zich vol om de dreigende vloek goed kracht te kunnen geven: “GGGGOH…..”. Mijn kindertjes kijken verschrikt maar tegelijkertijd gefascineerd naar me. In hun oogjes meen ik te lezen dat ze nu extra goed gaan opletten zodat ze mijn vloek goed kunnen nadoen, dus ik buig de vloek om naar: “…WWWWAT….EENNN….STOMMMMMM….GGGGEDOEOEOEOEO!”. En láchen dat de potjes met de grote oren dan doen! Ik hink naar de bank, trek de punaise uit mijn hak en vloek binnensmonds nog een beetje na: “gmmfdmmm!”.

Powered by ScribeFire.

Zonder aarzeling

Als een trein aankomt bij een station, remt hij geleidelijk, zodat de mensen niet door de coupés vliegen. Maar soms, bij de laatste centimeters, staat de trein toch heel abrupt stil. Een tijdje geleden bokte ook mijn trein zo onverwacht. Ik hield me goed vast, maar die ene mevrouw halverwege het gangpad niet. Ze ging finaal op haar gezicht en haar bril schoof onder de stoelen. Tot mijn grote verbazing schoot niemand die direct in haar buurt stond, te hulp. Tot ergernis van de andere passagiers liep ik dus tegen de stroom in terug om te zien of ze hulp nodig had. Er was gelukkig niks aan de hand, maar ik ergerde me aan de mentaliteit van de anderen. En ik miste mijn aansluiting.

Afgelopen donderdag bokte mijn trein weliswaar niet maar gaf,  na een keurige zachte landing naast het perron, ter plekke de geest. Pech die min of meer de orde van de dag is voor de NS. Ik mocht met mijn medereizigers in de waterige kou staan kleumen en wachten op de vervangende trein naar Haarlem. Toen ik eindelijk aankwam in Haarlem spoedde ik me naar de OV-fietsen en hobbelde even later over de klinkertjes van mijn vaste weggetje. Dit weggetje komt op gegeven moment uit op een brede strook versleten asfalt (Friese Varkenmarkt) langs de Spaarne.

Van rechts kwam in de verte een bestelbusje. Daar kon ik nog makkelijk voor langs. Dat asfalt bleek dus een spiegelgladde ijsbaan te zijn. Mijn blauw-gele tweewieler gleed zonder waarschuwing pardoes onder mijn lichaam vandaan en ik smakte op mijn buik boven op de fiets. Terwijl ik mijn klap probeerde op te vangen schoot er een scheut van verlammende pijn door mijn onderrug. Daar ging ik dus finaal doorheen op dat moment. Ik schreeuwde het uit en vloekte hartgrondig. Ik gleed enkele meters over het gladde asfalt.

Het bestelbusje remde af, maar stopte niet en reed gewoon om me heen. Een fietser aarzelde eventjes en had eventjes oogcontact met me, maar toen deze zag dat ik overeind krabbelde fietste hij door. Ik kon niet eens rechtop staan. Ook vanuit de woonboten die daar liggen kwam geen hulp. Verbijsterend vind ik dat. Vraag me niet hoe het me gelukt is, maar ik ben met de fiets in de hand naar kantoor gestrompeld. Bij de receptie kon ik nauwelijks praten en ging ik zowat van mijn stokje van de pijn.

Twee jaar later…

Voor mijn ogen glijdt een fietser uit, precies op dezelfde plek als ik 2 jaar geleden. Weer verraderlijk glad. Ik kom hem achterop en rem af. De gevallen fietser ligt met vertrokken gezicht op de grond. Als ik dichterbij kom herken ik de stumper. Ik aarzel dus niet.

Powered by ScribeFire.