oba

Vooroordelen

Vanmiddag stapte er een buitenlands gezin bij mij in de trein. “Is dis train to Arnhem”, vroeg de vader. Ze zagen er voor mij uit als vluchtelingen. Ik kon hun herkomst niet inschatten. Syrië wellicht. Ik veronderstelde meteen dat ze hier verkeerd zaten, want ik zat 1e klas. Op mijn linker schouder verscheen plots mijn goede ik: “Dat is erg snobbig van je!”, zei hij geschokt. Ik had helemaal geen last van ze, maar ik nam aan dat deze mensen zich vast geen 1e klas kaartjes konden veroorloven. Op zich al een nogal ongegronde gedachte, maar het ging nog wat verder dan dat…

Het gezin was zo groot dat ze zich moesten verspreiden door de coupé. Er kwam ook één van hen naast mij zitten. Op dat moment was ik net een berichtje aan het typen op mijn smartphone. De jongen keek dusdanig geïnteresseerd naar mijn telefoon dat ik overwoog om mijn laptop nog maar niet uit mijn tas te trekken. De conducteur zou zo wel komen, dus… Wat dacht ik wel niet? Het viel me erg tegen van mezelf, dus ik dwong mezelf om te doen wat ik altijd doe. De vermeende jonge Syriër naast me keek wel even nieuwsgierig naar mijn schermpje, maar daar bleef het gewoon bij. 

En toen de conductrice uiteindelijk kwam, bleken deze mensen inderdaad in de verkeerde coupé te zitten. “Zie je wel!”, sneerde mijn slechte ik vanaf mijn andere schouder. Ze moesten dus doorlopen en dat deden ze ook heel gedwee. En ik voelde opluchting. Mijn goeie ik gaf me een draai om mijn linker oor en riep terecht: “Je moet je schamen!”. Dat deed ik dus ook. Met een vuurrooie kop gaf ik mijn vervoersbewijs aan de conductrice. Ze keek me bevreemd aan. “U zit gewoon goed hoor meneer”, stelde ze me gerust.   

Advertenties

Eitje voor Otto

Het is vrijdagavond, dus dan doet iedereen boodschappen. Een vrouw slaat zich vlak voor de openende schuifdeuren van de supermarkt plotseling op haar voorhoofd. “Stom!”, roept ze uit, “portemonnee thuis laten liggen”. Ze loopt terug naar de auto en baalt, want ze had een parkeerplaats vlak bij de ingang. Die kwam vrij toen zij kwam aan rijden.

Ze start de motor en rijdt achteruit. Er staat al een roestige, oude VW Golf te wachten. Achter het stuur zit een gast met een zelfvoldane grijns op zijn smoel. De auto is duidelijk veel te klein voor de rare gozer, want hij zit er dubbelgevouwen in. Als de vrouw weg rijdt, parkeert Otto de Magiër zijn aftandse brik snel op haar plekje. 

Nog steeds breed grijnzend vouwt Otto zich uit zijn autootje. Dan beent hij zich met grote passen naar de ingang van de winkel. Eenmaal binnen en door het zwenkhekje, grijpt Otto een mandje en dreunt hardop pratend zijn lijstje op: “grove mosterd, doosje eieren, zakje kaasblokjes en dropjojo’s”. Omdat de mensen hem hier wel vaker zijn inkopen zien doen, kijken ze nauwelijks op.

“Grove mosterd, doosje eieren, zakje kaa…ja! daar liggen de eitjes!”, en Otto legt een sixpack eieren in zijn mandje. En zo doende werkt Otto zijn korte lijstje in luttele minuten af. Bij de kassa legt hij zijn boodschappen 1 voor 1 op de lopende band. De band staat stil, want de klant voor hem is nog bezig met pinnen. Bij de sensor die de band laat doorrollen ligt nog de boodschappenscheider. Otto kijkt verwachtingsvol naar de blozende kassière. Ze weet wat er nu komen gaat en als ze klaar is met het riedeltje “zegeltjes?, air miles?, bonnetje mee?” kijkt ze Otto aan. 

En dan pakt ze de boodschappenscheider waarop de band plotseling begint te lopen. Otto springt quasi-geschrokken in de lucht en roept: “Oh, jij kan zeker toveren!”. De kassière kan er desondanks om lachen. Ze bliept Otto’s boodschappen weg en zegt dan: “Dat is dan 9 euro 60 alstublieft”. Hierop kijkt Otto haar ineens verbaasd aan en roept luid: “Hee, wat heb jij nou achter je oor zitten!”,  en plukt dan een netjes gevouwen tientje achter haar oor vandaan. “Goh, da’s ook toevallig, dat is precies wat ik nodig had! Nou, alsjeblieft, en laat de rest maar zitten!”.

Otto hoeft natuurlijk geen zegeltjes en zo, loopt fluitend naar zijn auto terwijl hij de zak dropjojo’s open trekt, stapt in en rijdt dan helemaal naar de achterkant van de winkel. Er is daar geen uitrit van de parkeerplaats. En alleen de dikke duif op het dak van de winkel ziet hoe het Golfje simpelweg verdwijnt. 

Twee tellen later verschijnt het wagentje weer, bij een stomende en naar zwavel stinkende bron ergens in Ijsland. Otto de Magiër stapt uit. Er hangt een sliert uitgerolde dropjojo uit zijn mond. Dan pakt hij de eieren, doet ze in een plastic tas en hangt deze in het kokend hete water van de bron. Intussen slurpt Otto langzaam de dropsliert naar binnen. En na een minuutje of tien trekt Otto de tas snel uit het hete water, springt weer achter het stuur en is verdwenen. Nog steeds op Ijsland, maar dan midden op de Vatnajökull (Ijsland’s grootste Gletsjer) verschijnt Otto’s Golfje weer. Snel leegt hij de zak met gekookte eieren op het ijs en bedekt ze met een flinke laag ijs. “Ja dat is nog eens schrikken, hè”, zegt Otto. 

Otto opent de pot grove mosterd en het zakje kaasblokjes en legt deze op de motorkap. Dan pelt hij een eitje, wat natuurlijk formidabel goed lukt omdat het zo goed geschrokken is. Otto dipt het lekker royaal in de mosterd en stopt het geheel in zijn mond. Het eitje is nog lekker heet en precies goed! En zo vergaat het ook de andere vijf eieren. En met uitzicht op een lichtjes rokende vulkaan, gaan ook de blokjes kaas gaan met grote klodders mosterd naar binnen. Otto geniet.

Plotseling gaat er een hevige beving door het ijs en er verschijnt een grote scheur die zich in rap tempo uitbreidt, precies in de richting van Otto’s Golfje. Snel springt Otto van zijn motorkap en wil snel instappen. Maar dan glijdt hij uit. Hij kan zich nog net aan de deur vastklampen. Met verbeten gezicht weet hij zich op tijd in de auto te hijsen en weg te fwoepen. 

“Ik ben uitgegleden dokter”, zegt Otto de volgende ochtend bij de huisarts. Mijn hele enkel is dik. “Zo te zien is het behoorlijk verstuikt”, zegt de dokter, “daartegen helpt vooral rust, en je been omhoog”. Otto kijkt beteuterd: “Heb je niet een zalfje tegen de pijn of zo? Want het doet verrekte zeer”. De arts kijkt Otto aan en zegt dan: “Nee, dat is niet nodig. Doe er maar gewoon wat ijs op als het zeer doet. En wisselbaden doen ook wonderen bij verstuikte enkels”. Otto kijkt zijn huisarts meewarig aan. “Juist, ijs en wisselbaden, natuurlijk. Eitje”, mompelt hij. 

 

HET deksel! OK?

Er zal wel weer geen houden aan zijn, maar ik probeer het toch maar. Iedereen (behalve ik, zo lijkt het vanuit mijn perspectief) zegt “DE deksel”. Dat is dus hartstikke fout, want deksel is net zo onzijdig als vulsel, stolsel, versiersel, plaksel, strooisel, voedsel, smeersel en frutsel.

Door de bocht genomen is alles wat eindigt op “sel” onzijdig. Het is eigenlijk wel een grappige taalconstructie. We plakken “sel” achter een vervoeging van een werkwoord om er een zelfstandig naamwoord van te maken. Het gaat vaak om het duiden van het middel om te gebruiken bij de handeling. Om dingen aan elkaar te plakken heb je een middeltje nodig dat plakt: plaksel dus. Een smeersel is een middel om te smeren. Voedsel is een middel dat voedt. Speeksel is een middel dat speekt (wist je vast niet). En een (af)deksel is dus een middel om iets mee af te dekken.

Resultaten van de handelingen eindigen ook dikwijls op “sel”. Het frutsel is het resultaat van gefrut. Het spinsel is het resultaat van gespin. Van zagen komt zaagsel en van mislukking bij het bakken krijg je misbaksels. Versiersel is zelfs zowel middel als resultaat.

En is echt alles wat op “sel” eindigt onzijdig? Nee, oksel is een uitzondering, maar ik heb ook nog nooit gehoord van het werkwoord “okken”. Het zou wat zijn zeg: ik ok, jij okt, wij okken. Alhoewel, ik zie eigenlijk wel een handige betekenis. Ik ok dikwijls ter snelle bevestiging van een snelle vraag via SMS of whatsapp. Dan is HET oksel dus het resultaat van okken: een bevestiging dus.

Maar is het dan nu voor eens en voor altijd duidelijk? Het is HET deksel! Graag even je oksel ter bevestiging.

In alle bescheidenheid

Om de mensheid niet te verpletteren met mijn indruk,
doe ik maar gewoon en precies gek genoeg.

Om de mensheid niet te verbluffen met mijn alwetendheid,
meet ik me een vertwijfelde blik aan, hou me van de domme.

Om de mensheid niet te verblinden met mijn schoonheid,
kleed ik mij heel gewoontjes, eigenlijk bij het saaie af.

Om de mensheid niet te overdonderen met mijn charmes,
doe ik me bot voor, dus voel je maar niet beledigd.

Om de mensheid niet te bederven met mijn ruimdenkendheid,
stel ik me moedwillig bekrompen op, voor jullie bestwil.

Om de mensheid niet te verbijsteren met mijn kunst,
hou ik me maar in en schrijf ik flauwe versjes zoals deze.

Timing

Kleine vent wil niks eten.
Hangt slapjes tegen mij aan
Zijn buikje doet zeer
Mama brengt hem maar naar bed
Dat kan nog net voor ze gaat.

Dan is ’t bedtijd voor de tweeling
Dus ik jaag ze in hun pyama’s
Kleine vent zit al in zijn bedje
Mama leest hem verhaaltjes voor
Daarna knuffelt ze hem extra lang

Ik pak ook maar snel een knuffel
Een slecht voorgevoel bekruipt me
Vier voetjes schuifelen de trap weer af
Ze mogen nog eventjes naar beneden
Totdat mama in de taxi stapt

Dochterlief kleeft aan haar moeder 
Dikke tranen met dikke tuiten
Mama heeft haar koffer weer gepakt 
En ze was net weer terug
Ik ruim de vaatwasser maar in

Net als ik me afvraag of hij slaapt
Hoor ik ons zieke ventje huilen
Ik vlieg snel naar hem toe
Hij voelt zich hartstikke beroerd
Kom maar, zeg ik, kom maar mee

Voor ik hem naar beneden draag
Graaf ik in de medicijnendoos
Naar kinderparacetamolletjes
Kijk eens? Papa heeft ze gevonden
O nee, wat doe je nou dan!?

Alle medicijnen onder gespuugd
Gauw naar de badkamer!
Och, het blijft maar komen
Uiteraard niet in de wc
En dan gaat natuurlijk de deurbel…

Mama’s taxi staat dus klaar
Ik krijg nog een haastig kusje
En ontferm me over de zieke
Lekker onder de warme douche
Hij kan er ook niks aan doen

Wat later ligt hij opgelucht in bed
Slaap maar fijn, kleine stumper
Papa gaat nergens heen
Alleen even naar beneden
Om een emmer sop te halen

Jongens, jullie gaan nu ook naar bed
De badkamer is nog buiten gebruik
Ja, ik weet het, ik stink heel erg
Ga nou maar naar boven
Ik krijg het allemaal wel weer schoon

Als ik klaar ben is het al ver na achten
Onze grootste vent is nog niet naar bed
Maar ik krijg een hele fijne knuffel
Omdat hij het met me te doen heeft
Ik krijg er écht heel veel voor terug

Ik duim een whatsappje de wereld in
Op zoek naar nog meer medeleven
Niet leuk, bliept vrouwlief meteen terug
Hoi met mij, zeg ik even later schor
Ze is net in Zwolle aangeland

Zij vindt het ook een geweldige timing.
Dit is echt een kutafscheid, zegt ze
Nee, leuk is inderdaad anders
Ach, afscheid moet je kort houden
Maar dit voelt wel heel schraal

Nou, hou je maar taai lieverd
Ja, jij ook. 
Goeie reis en geniet ervan he.
Dank je, zal ik doen. Doeoeg
Doehoeg

Van tilemma tot y-slip

Okee, ik heb het volgende tilemma: Kun je eigenlijk nog spreken van een T-shirt als het lange mouwen heeft? Ik bedoel, die T krijgt dan wel armen die elk even lang zijn als het lijf. Een fatsoenlijke T heeft armpjes die korter zijn dan het lijf. Toch? In het US-Engels zeggen ze trouwens ook niet “T-Shirt with long sleeves”, maar kortweg “longsleeve”. Dat hebben we dan weer niet van ze overgenomen. T-shirt wel dus. Misschien moeten wij een langmouwig T-shirt wel “langmouw” gaan noemen.

Bij broeken is het eenvoudig. Een broek met korte mouwen heet een korte broek, en een broek met lange mouwen heet een lange broek. En waarom noemen we bij kledingstukken iets een mouw als er een arm door moet en een pijp als er een been door moet? Het zijn toch feitelijk in beide gevallen buizen die je kunt opvouwen.

En dan nog iets. Hoe noem je een broek zonder pijpen? We noemen en T-shirt zonder mouwen ook wel mouwloos shirt. Knip de mouwen er ook weer niet te ver af, want dan verandert “shirt” in “hemd”. Gek genoeg mogen we langmouw-shirts met knoopjes ook “hemd” noemen, maar dat terzijde. Een broek zonder pijpen is een lastige, want je moet de pijpen er zo’n beetje tot de liezen afknippen voordat de broek pijploos is. Bij ondergoed doen we dit doorgaans. En dan heeft de resterende onderbroek zowaar een Y-vorm. En die noemen we dan een “slip”, en niet Y-broek, of – haha- ypsilonderbroek.

Hm, Ypsil. Daar kun je ook weer Y-slip van maken. Ypsil Underwear. Dat klinkt best goed. Nieuw dilemma, moet ik mijn glansrijke infologie-carrière in de wilgen hangen en in de ondergoed-business gaan? En vanwege mijn oude carrière mag in het Ypsil-productassortiment de “Y-slip, type string” uiteraard niet ontbreken. Ach, wie hou ik voor de gek. Eens een nerd, altijd een nerd.