rode knor

Kattenbutler

De Rode Knor die al de hele middag lag te pitten op de keukenstoel, poten asociaal lui over de rand bungelend, glijdt daar nu lenig vanaf. Hij strekt zich uit en gaapt uitgebreid. Plotseling moet hij heel nodig zijn gat likken. En even plotseling houdt hij daarmee op en slungelt met zijn prachtige lijf op me af. Ik zit op de bank TV te kijken. Drie meter bij me vandaan, maar zo dat ik hem goed kan zien gaat hij me zitten aanstaren. Hij wil iets.

Ik negeer hem eerst maar eens even, maar na een tijdje zeg ik: “Hee Knor, wat moet je dan?”  De Rode Knor slungelt dichterbij en geeft onderweg naar mijn schoot de salontafel een intimiderende kopstoot. Ik tik op mijn knie om duidelijk te maken dat hij op mijn schoot mag springen. Hij zou dat natuurlijk sowieso gedaan hebben, of ik het nou goed vond of niet. En op schoot zet hij zijn ronkende spinmachine aan en kijkt me verheerlijkend aan. Natuurlijk heeft hij schijt aan me, maar toch voel ik me aanbeden.

Als ik mijn hand boven zijn rooie kop hou veert hij er overdreven tegen aan en smeert zijn geur aan me af. “Mmmijijijijnnn mens”, zegt hij daarmee. Ik mag hem eventjes achter zijn imposante katerwangen kroelen, maar dan springt hij gepiekeerd met een nijdige snauw van mijn schoot. Op hetzelfde plekje als zoëven gaat hij me weer zitten aanstaren. Ik moet meekomen, dat is duidelijk. Ik zucht en sta op van de bank.

Met zijn rooie staart in de lucht sjokt hij voor me uit. Af en toe kijkt hij naar me op. In de bijkeuken gaat meneer op de mat voor de tuindeur zitten en kijkt me met zijn okergele ogen aan met een blik van pure verachting, alsof hij wil zeggen: “Mot ik nou echt elke keer als ik naar buiten wil zo lang wachten?”. Maar als ik de deur open zet voor hem, blijft hij stoicijns zitten. ” Hup, toe dan!”, zeg ik. Maar de Rode Knor is in een zeikstemming. Hij brengt een bij zijn humeur passend mekkergeluid voort en draait zich dan om en sjokt naar zijn eetplek. Ik zie twee schoonlege bakjes. Wederom is een vuile blik vol minachting mijn deel: “Schandalig dat je me zo laat kreperen”. Ik gooi de bakjes braaf vol en de Rode Knor gaat, zo te zien, tevreden zitten vreten.

En even later als ik net weer zit komt ‘ie er al weer aan. Om me vanaf zijn commandopost hypnotisch te verordonneren dat, als ’t me betaamt, nu toch eindelijk eens de deur naar de tuin open te maken. Lijdzaam doe ik, de kattenbutler, wat er van me verwacht wordt. Drie maal raden wie me nog geen vijf minuten later door het keukenraam zit aan te staren… 

Advertenties

Mijn Spartaanse Vlieg

Het beest zoemt zenuwachtig door de kamer. De rode knor ligt naast me op de bank. Zijn oren bewegen. Hij richt ze op het gezoem. Ik kriebel hem geruststellend over zijn buik. “Zou je die vieze vlieg niet eens gaan vangen?”, vraag ik hem. Maar hij rolt zich op zijn rug.

Intussen word ik kriegel van dat gezoemzoem om mijn kop. Het vliegt een kriebelige vlucht. Nerveuze bewegingen. Willekeurig door mijn gezichtsveld. Alsof het in wilde paniek naar iets op zoek is. Ik word er gek van, dus ik sla er woest naar. Het lukt me om de vieze vette vlieg een flinke mep te geven als het voor me langs buzzt. Met een geruststellende tik slaat het beest tegen de muur, en dan op de grond. Einde buzz. Mooi

Nu kan ik weer mijn aandacht bij de film houden. Er vliegen afgehakte ledematen en hoofden in slow motion over de buis. Die vlieg leidde me van al dat geweld af. Maar nu is hij verdelgd. De rode knor krijgt het zo meteen als snoepje. Ineens zie ik iets over de parketvloer trippelen. In een kronkelig patroon van duizeligheid. Het is die stomme strontvlieg weer. Het stijgt op en vliegt pissiger dan ooit rond de kamer. Maar het wordt roekeloos en sjeest de halogeenlamp in. Daar wordt ‘ie geroosterd als een pinda. Nog een laatste zwakke bzz en dan is het afgelopen met hem.

Leonidas werpt zijn helm af. Gooit zijn zware schild op de grond. Hij veinst zich te onderwerpen aan de overmachtige Xerxes, maar dan…buzzzebuzzzebuzzzebuzzzzzz. De onsterfelijke strontvlieg is herrezen uit zijn hoopje as. Terwijl ik als een wildeman door de kamer spring met een opgerolde krant zie ik nog net hoe Leonidas verdelgd wordt door een hemelverduisterende regen van pijlen. Mijn Spartaanse vlieg trotseert mijn toorn. Ik weet niet hoe ‘ie het doet, maar ik zweer je dat het gezoem een smalend toontje kreeg. Ik geef het op en ga maar slapen.