trein

Eeuwige bouwputten

Lawaaiig werk op Utrecht CS

Lawaaiig werk op Utrecht CS

De afgelopen jaren reis ik regelmatig met de trein langs grote stations zoals Zwolle, Arnhem, Amersfoort, Utrecht en Den Bosch. Het valt me op dat er altijd wel ergens op een van deze stations een groot bouwproject gaande is. In mijn beleving is er dus een eeuwig durende bouwbedrijvigheid op mijn reisroutes. Het is nooit af. Arnhem heeft jaren in de stijgers gestaan voor de nieuwe, ruime, ondergrondse voetgangerstunnel, evenals Zwolle. Het uiteindelijke resultaat is prachtig en een verrijking van de reizigersbeleving, maar er gingen jaren van ongemak aan vooraf.

Omdat dit soort project vele jaren duren, worden de tijdelijke, ongemakkelijke hoge trappen over het spoor (zoals bij Zwolle) geleidelijk aan gewoon. Gisterochtend zag ik dat ze in Zwolle waren weggehaald. Ze waren al ruim een maand daarvoor afgebroken, maar ik was even een maandje op vakantie. Dus voor mij was de voetgangersbrug over de perrons ineens verdwenen. Een rare gewaarwording van gemis kwam over me heen. Ik was zo vertrouwd geraakt met de tijdelijke trappen, dat ik ze miste toen ze er ineens niet meer waren.

Later die ochtend moest ik overstappen op Utrecht CS. Overal om me heen liepen vele mannetjes met werkhelmen op. Er werd getimmerd, gezaagd en geboord. Grommende graaf- en schuifmachines met een behelmd mannetje erin deden hun grimmige werk. De foto hier boven nam ik vanaf perron 15. Het bijkomende lawaai van de door metaal snijdende cirkelzaag was dusdanig luid dat de stationsomroepen onverstaanbaar waren. Telefoneren kon je ook vergeten. Luisteren naar muziek bood ook geen soelaas. De herrie sneed door alles heen. Ongemak. Maar een ongemak waar ik vertrouwd mee begin te raken. Het vormt een (klein) deel van mijn leven. Ik reis voor eeuwig door bouwputten. Daar leg ik me maar gewoon bij neer.

Advertenties

Vooroordelen

Vanmiddag stapte er een buitenlands gezin bij mij in de trein. “Is dis train to Arnhem”, vroeg de vader. Ze zagen er voor mij uit als vluchtelingen. Ik kon hun herkomst niet inschatten. Syrië wellicht. Ik veronderstelde meteen dat ze hier verkeerd zaten, want ik zat 1e klas. Op mijn linker schouder verscheen plots mijn goede ik: “Dat is erg snobbig van je!”, zei hij geschokt. Ik had helemaal geen last van ze, maar ik nam aan dat deze mensen zich vast geen 1e klas kaartjes konden veroorloven. Op zich al een nogal ongegronde gedachte, maar het ging nog wat verder dan dat…

Het gezin was zo groot dat ze zich moesten verspreiden door de coupé. Er kwam ook één van hen naast mij zitten. Op dat moment was ik net een berichtje aan het typen op mijn smartphone. De jongen keek dusdanig geïnteresseerd naar mijn telefoon dat ik overwoog om mijn laptop nog maar niet uit mijn tas te trekken. De conducteur zou zo wel komen, dus… Wat dacht ik wel niet? Het viel me erg tegen van mezelf, dus ik dwong mezelf om te doen wat ik altijd doe. De vermeende jonge Syriër naast me keek wel even nieuwsgierig naar mijn schermpje, maar daar bleef het gewoon bij. 

En toen de conductrice uiteindelijk kwam, bleken deze mensen inderdaad in de verkeerde coupé te zitten. “Zie je wel!”, sneerde mijn slechte ik vanaf mijn andere schouder. Ze moesten dus doorlopen en dat deden ze ook heel gedwee. En ik voelde opluchting. Mijn goeie ik gaf me een draai om mijn linker oor en riep terecht: “Je moet je schamen!”. Dat deed ik dus ook. Met een vuurrooie kop gaf ik mijn vervoersbewijs aan de conductrice. Ze keek me bevreemd aan. “U zit gewoon goed hoor meneer”, stelde ze me gerust.   

Dikke duim voor Fido!

De NS is een dankbaar hondje om in te bijten. Iedereen doet ‘t. En het is natuurlijk ook niet geheel onterecht. Ik stel me bij de NS verder een Basset Hound voor. Zo’n sloom beest met droevige oogjes. Detective Columbo had ook zo’n beest. Fido heette zijn hond. Veel beter dan Fyra, vind je ook niet?

De NS gedraagt zich momenteel ook als een hond dat ontelbare tandafdrukken heeft over het hele lijf. Met dit berichtje zet ik ook nog maar weer eens mijn tanden in Fido. Maar wel liefdevol, want ik reis, ondanks alles, heel graag met de trein. Ik ben zeer op Fido gesteld. Wie moet ik anders schoppen als ik te laat op mijn werk kom?

Net sprintte Fido (stoptrein heet tegenwoordig sprinter, waaruit maar blijkt hoe graag de NS een aai over de hondekop wil hebben) mij trouw, met de tong uit de bek, van Meppel naar Zwolle. De conductrice meldde trots en zwaar hangend naar bevestiging, zoals een kind, dat de trein “geheel op tijd te Zwolle arriveerde!”. Hoera! Goed zo Fido! Dikke duim!

Speciale Berlijnservice

Een mevrouw en een meneer met twee grote koffers zetten zich neer in de stoelen direct achter mij. Ze hijsen zich uit hun dikke sjaals en jassen. “Hè hè”, zegt de mevrouw, “daar zitten we dan”. De meneer beaamt dit gegeven met een “Nou!”. De trein vertrekt meteen. “Goh, we hadden ook geen minuut later moeten zijn, hè”, klaagt de meneer, “dan hadden we onze trein gemist, wat een drama”.

 

Ik trek mijn laptop uit mijn tas en klap het open. “Dit is wel eerste klas, hè”, merkt de meneer meteen op. “O?”, vraagt de mevrouw. Maar ze blijven maar gewoon zitten. Ik zeg zelf niks, want wat gaat mij het aan? Dan komt de conducteur de coupé binnen gelopen: “goedemorgen, uw vervoersbewijzen alstublieft”. Even later is hij bij de meneer. “U zit verkeerd meneer, dit is 1e klas”. De mevrouw zucht en zegt: “O, maar dan zit ik ook verkeerd, want we horen bij elkaar”. “Dan moet u beiden een stukje doorlopen”, zegt de conducteur.

 

“Ja, we moeten helemaal naar Berlijn”, zegt de meneer dan gezellig. “Oooooo, had u dat nou even gelijk gezegd meneer”, roept de conducteur dan uit. “Nee, reizigers naar Berlijn vormen natuurlijk een uitzondering. Blijft u lekker zitten zeg. Wilt u er ook nog een kopje koffie bij misschien? Krantje? It’s on the house, speciale Berlijnservice!”, roept de conducteur uit. Met een zwierig gebaar trekt de conducteur zijn telefoon en belt meteen de ketering. “Ja hallo, ik heb hier twee reizigers naar Berlijn. Kunt u even twee koffie met een koekje komen bezorgen. Met een krantje erbij. Wat? O, een telegraafje zo te beoordelen. Ja. Okee. Bedankt!”, en de conducteur kijkt de meneer en mevrouw breedgrijnzend aan.

 

De meneer en mevrouw durven niks te zeggen. Neemt de conducteur ze nou in het ootje? “Eh, ik had toch liever een kopje thee dan”, durft de mevrouw heel zachtjes uit te brengen. “EN NU OPHOEPELEN, STELLETJE OUWE ZEMELAARS!”, roept de conducteur dan met overslaande stem. De meneer en mevrouw kruipen met bibberende onderlipjes in hun dikke jassen en sjouwen zichzelf en hun koffers bedremmeld naar de 2e klas. Och toch. “En nog een prettige reis naar Berlijn!”, roept de conducteur hen dan poeslief achterna.

Heren horen niet in bussen

Tussen Zwolle en Meppel reden gisteren even geen treinen. Dat heb je soms. Deze keer stonden er ruimschoots genoeg, luxe bussen klaar. Als schaapjes werden de passagiers bijeen gedreven door mannetjes en vrouwtjes in fluoriserende gele vestjes. Gedwee liet ik me mee drijven tot ik op mijn plekje in de bus zat. De chauffeur had sky radio aan staan. Uit de plafond-speakers boven de stoelen klonk muziek uit de jaren 80. Roxette, geloof ik.

Schuin voor me ging een deftig heerschap met een Frans hoedje op zijn grijze kop met een diepe zucht zitten. Hij spotte de chauffeur van de bus die even door de bus liep om te zien of iedereen recht zat. “Chauffeujjjj, kan dit uit alstublieft?”, riep het heerschap met de Franse hoed, en hij wees naar de plafond-speaker boven zijn hoofd. “Nee, dat kan niet”, zei de chauffeur kortaf. Het heerschapje keek geërgerd om zich heen, op zoek naar medestanders, maar zijn buurman deed snel zijn oordopjes in. Zelf dook ik maar in mijn elektronische boek.

De heer met het hoedje zag er nu toch wel wat sneu uit. Hij had zijn tas op zijn knieën en zijn handen om de hengsels geklemd. Het is me ook wat: van ruime stoel in de 1e klas naar een krappe stoel in een bus. Ik zat feitelijk in hetzelfde schuitje, maar schikte me maar gewoon naar de situatie. Ze hadden me ook uren op het koude perron kunnen laten staan in vertwijfelde afwachting op informatie over de toestand. Maar het heertje met de Franse hoed wilde het er niet bij laten zitten. Met bevende handen haalde hij een papiertje uit zijn tas. Een foldertje over ’t een of ’t ander. De achterkant was blanco. Toen haalde hij een chique pen uit zijn binnenzak en schreef hij driftig: “17.50, in de bus”.

Het boze heertje dacht een tijd na. Zijn dikke vingers frummelden nerveus. Plotseling beseft ik me dat ik de man zat te bespieden, dus besloot ik mijn ogen maar even dicht te doen. In mijn gedachten schreef ik met het boze heertje mee: “Geachte heer, met diepe verontwaardiging wil ik u mededelen dat ik door de uwen nogal onheus en met onbetamelijk gebrek aan respect voor oudere heren met hoeden bejegend ben”, zoiets.

Het duurde niet lang voor we in Meppel aan kwamen. Niks langer dan de trein erover zou hebben gedaan. Toen ik mijn ogen open deed ving ik een glimpsje op van het papiertje van het boze heertje met de Franse hoed. Er stond een tijdslijn op. Aan het begin ervan stond 1979. Toen was het OV-personeel nog vriendelijk en beleefd. Toen zette de NS nog taxi’s in voor heren met Franse hoeden. Heren horen toch ook niet in bussen waar je wordt gedwongen te luisteren naar popmuziek?

Otto De Omslachtige

In de garage van Otto de Magiër staat zijn 26 jaar oude VW Golf. De garage is opvallend en tegelijk ook weer niet, want het heeft geen deuren. De oprit ernaar toe eindigt in een muur die helemaal is volgewoekerd met Wilde Wingerd. Met een zacht “fwoep” verschijnt Otto ineens in zijn garage. Hij knipt met zijn vingers en het portier van zijn auto zwaait open. Hij stap in zijn auto, start de motor en sluit zijn ogen.

Op Rijksweg N371, tientallen kilometers van Otto’s huis vandaan, zou de bestuurder van een bestelbusje toch zweren dat de weg voor hem zoëven nog leeg was. Maar nu rijdt er honderd meter voor hem ineens een ouwe, roestige Golf. Maar het is grijs, bewolkt weer en het miezert, dus daar wijt de bestelbusbestuurder het maar aan.

Otto heeft er behoorlijk de sokken in. Hij trekt zich weinig aan van de maximale snelheid van 80. Verderop houdt een motoragent met een mobiele radar snelheidscontrole. Otto geeft gas bij en zwaait naar de agent, maar de agent kan niet terugzwaaien, want hij rent achter zijn motor aan die plotseling startte en in de richting van de sloot hobbelt.

Otto baalt als hij even later achter zo’n brommobiel rijdt. Op de achterkant zit een sticker met “World’s best driver”. Het ding rijdt nog geen 50 kilometer per uur. Op de andere weghelft rijden teveel auto’s dus inhalen is er niet bij. Otto laat daarom zijn stuur los en sluit even zijn ogen. Dan klemt hij zijn kaken op elkaar, brengt hij zijn handen voor zijn borstkas en duwt ze krachtig van zich af. De brom-mobiel schiet ineens als een raket vooruit. Verbijsterd kijkt de brom-mobielrijdster naar de snelheidsmeter. Die staat voorbij de 60, maar ze weet zeker dat ze nu minstens 90 rijdt. Met een tevreden grijns trapt Otto zijn gaspedaal weer in.

Maar verderop ontstaat het volgende obstakel al. De brug gaat open. Otto slaakt een gefrustreerde zucht en schudt zijn hoofd. Zeker weer zo’n suf plezierjacht. Theatraal gooit hij zijn handen omhoog en de Golf verdwijnt. Op de P&R van Station Meppel klinkt het typische fluitende geluid van een vallend projectiel. Enkele mensen die op de parkeerplaats liepen, turen en wijzen naar boven. Dan smakt plotseling een aftandse, oude VW Golf precies op een parkeervak. Er komt witte rook onder de motorkap vandaan. Even later stapt er heel kalmpjes een man uit. Tegen de verbaasde mensen zegt Otto: “Dat heb ik weer, een kokende motor! Dan maar met de trein”. Op dat moment zakt het golfje kreunend door beide assen.

Otto stapt koeltjes in de 1e klas coupé van de Intercity richting Zwolle en gaat prinsheerlijk zitten. Maar het zit Otto weer tegen. Ergens tussen Meppel en Zwolle remt de trein en staat dan een heel kwartier stil. Iets met een bovenleiding. Daardoor gaat hij zijn aansluiting naar Arnhem missen. Daarom gaat Otto naar de WC. Daar komt net een knappe meid uit. Otto glimlacht vriendelijk naar haar en gaat dan zelf het smalle toilet in en sluit de deur. In een toilet van de Intercity naar Roosendaal die klaar staat op perron 7 van Station Zwolle klinkt weer dat zachte “fwoep”-geluid. De wc-deur gaat open en Otto stapt eruit.

Otto komt op tijd aan in Arnhem. Natuurlijk had hij zichzelf ook in één keer naar Arnhem kunnen “fwoepen”, maar Otto wil zo gewoon mogelijk leven. Dat hij toevallig een beetje kan toveren betekent niet dat hij er maar te pas en te onpas gebruik van hoeft te maken. En hij begrijpt al helemaal niet waarom zijn collega-magiërs hem toch steeds Otto De Omslachtige noemen…

Powered by ScribeFire.