verhaal

Otto en de lompe stier

Op een smal landweggetje rijdt met een rustig gangetje, een roestig Golfje, bouwjaar 1978. Ooit was het waarschijnlijk wit, maar dat is bijna niet meer te zien. Hier en daar zitten gaten in de carrosserie, en de achterbumper hangt scheef. De auto ziet eruit alsof het rijp is voor de sloop. De motor pruttelt en blaast af en toe hoestend een wolk zwarte rook uit de uitlaat. De motor is eigenlijk op sterven na dood. Dat het ding nog rijdt is een waar mirakel.

Achter het stuur zit een 2 meter lange magiër genaamd Otto. En de haastige bestuurder van een veel nieuwere Golf achter  Otto maakt de grote vergissing om te proberen om Otto op te jagen. Dit doet hij door dicht achterop Otto’s bumper te rijden en heen en weer te slingeren. Otto trapt resoluut op de rem. De bestuurder van de andere auto moet uitwijken en belandt daardoor met zijn auto half in de sloot.

Vloekend en tierend klimt de man – type lompe stier – uit zijn auto en beent op Otto af, die nog bezig is om zijn gordel los te maken. Woest rukt de boze man de deur van Otto open, met als gevolg dat de hele deur afbreekt. De man kijkt er even verbaasd naar, maar smijt de deur dan maar op de grond. Intussen vouwt Otto zich bedaard achter zijn stuur vandaan en staat even later tegenover het boze mannetje dat ruim 2 koppen kleiner is dan Otto. Het stiertje kijkt woedend naar hem op.

Otto duwt het rund eenvoudig opzij en kijkt met één oog door zijn duim en wijsvinger die hij vlakbij bij zijn oog heeft naar de andere auto. En terwijl hij door zijn duim en wijsvinger blijft turen, pakt Otto de auto simpelweg met zijn duim en wijsvinger vast, tilt het met gemak uit de sloot en zet het behoedzaam achter zijn eigen auto weer op de weg. Hij gaat tussen de twee auto’s in staan en knipt tegelijk met de vingers van zijn beide handen. Zowel de motorkap van zijn eigen auto, als die van de andere auto springen braaf open.

“Hee, wat ga je doen!?”,  vraagt het stiertje waarvan de boosheid intussen is omgeslagen in verbazing. “Ssssst!”, sist Otto en sluit zijn ogen. Hij mompelt iets dat klinkt als “zabbazabbajaja,zabbazabbajaja zabbazabbazap” en klapt plotseling zijn grote handen hard op elkaar. De motoren van beide auto’s starten en klinken alsof er iemand steeds  de gaspedalen van de auto’s intrapt en weer loslaat.  De motor van Otto’s eigen auto pruttelt en rochelt terwijl er vette wolken zwarte rook uit de uitlaat komen. De andere, veel jongere motor klinkt veel gezonder.

Otto staat, nog steeds met de ogen gesloten, tussen de twee auto’s in, met zijn linker handpalm naar zijn eigen auto gericht, en zijn rechter handpalm naar de andere. En dan, in één snelle beweging, zwaait hij zijn linkerhand boven zijn hoofd naar rechts, en zijn linker hand voor zijn buik naar rechts. Vanonder beide motorkappen komt op het zelfde moment een felle flits. Beide motoren draaien nog steeds, maar nu komt het gepruttel en gerochel uit de moderne Golf, evenals de zwarte rook.

Otto wrijft in zijn grote handen en wil weer in zijn auto stappen, maar bedenkt zich. Hij loopt terug naar de andere auto en rukt het bestuurdersportier eraf. Deze neemt hij mee naar zijn eigen ouwe Golfje en bekijkt of het op zijn auto past. Het is ruim 10 centimeter te breed, en past eigenlijk niet.  Otto geeft de deur dan maar aan het lompe stiertje, die het verbouwereerd aanneemt. “Wa-wa-wa,  hoe-hoe-hoe?”, stamelt deze. Maar Otto geeft geen antwoord.

Rustig pakt Otto zijn eigen deur op en houdt het op een paar centimeter afstand van zijn auto, en laat het los. Alsof het door een sterke magneet werd aangetrokken, klikt de deur weer vast. Tevreden opent Otto vervolgens zijn deur en stapt behoedzaam achter zijn stuur. Hij draait zijn raampje open en zegt: “bedankt voor de motor, die van mij was al wat op leeftijd en lekte olie. Hij draait niet heel best meer, maar je komt er waarschijnlijk nog wel mee thuis hoor!” En dan scheurt Otto er met piepende banden vandoor. De arme stier kijkt hem, door het raampje van het portier dat hij in zijn handen heeft, met trillend onderlipje na.

Advertenties

Otto slaat in (deel I van het “Bokito-recept”)

In tientallen huizen gaan ’s nachts plots en min of meer tegelijk overal de lichten aan. Eerst in de slaapkamers, en even later de keuken. De mensen zijn allemaal klaarwakker. Vertwijfeld kloppen buren bij elkaar aan: “Ik zie dat er bij jullie ook licht brandt. Ook zomaar van ’t ene op het andere moment klaarwakker geworden? En dan die lucht buiten! Waar is Simon nu dan weer mee bezig?”

Simon wist zelf ook niet wat hem precies overkomen was. Eerst had hij een nagenoeg kale borstkas, nu had hij een borstkas waar Bokito jaloers op zou zijn. Evenals zijn maat Otto, die hem de ingrediënten had geleverd voor het potente brouwsel dat ze zojuist hadden gedronken.

Het recept is krankzinnig. Men neme: één wild zwijn…

~~~

In de schemering van de avond komt dat zwijn voorzichtig en nietsvermoedend tevoorschijn uit het bos. Snuivend scharrelt het beest in de richting van het aan het bos grenzende maisveld. Aan de rand van het maisveld blijft het zwijn even staan en wroet met zijn snuit in de aarde. Kjak! Kjak! Kjak! Kjaaaaak! Uit het maisveld fladdert plots een handvol kauwen. Het zwijn schrikt en schiet in wilde paniek het maisveld in en rent er kris-kras doorheen.

In het midden van het maïsveld staat, op een open plek, een grote vogelverschrikker, maar zijn kapotte strohoed steekt maar net boven het maïsveld uit. De kauwen cirkelen om de stroman heen terwijl ze met een scheef oog kijken of de vreemde stroman niet weer gaat bewegen. Maar het enige dat beweegt aan de stroman is de de top van zijn strohoed dat af en toe als een dekseltje open en dicht klapt als het door een windvlaag wordt geraakt. Toch wagen de kauwen zich niet meer in de buurt van de vogelverschrikker.

Plotseling komt het geschrokken zwijn weer tevoorschijn. Het botst bijna tegen de stroman aan. Als de kauwen konden grinniken, dan hadden ze dat gedaan, want het ziet er heel cartoonesque uit. Het zwijn remt zich namelijk af door op zijn achterwerk te glijden, met zijn voorpoten gestrekt voor zich uit. Op anderhalve meter voor de stroman komt het zwijn tot stilstand.

Otto de Magiër grinnikt inwendig ook maar weet zich bewegingsloos te houden. Hij houdt zijn adem in. Het zwijn snuift en kijkt naar de stroman. De armen van de stroman staan, zoals het hoort, recht opzij en uit de mouwen van de oude jas steken grove plukken stro. Er steekt natuurlijk overal stro uit de stroman, want dat mag je verwachten. Wat je niet mag verwachten zijn de felrode, nog bijna nieuwe klompen maat 48. Verder liggen er op de grond rond de stroman een stuk of wat rijpe maïskolven, al ontdaan van de bladeren en draden.

Het zwijn kijkt nog eens naar de stroman. Ergens in het eenvoudige brein van het beest begint er iets te dagen. Het is zijn instinct dat hem waarschuwt voor gevaar, maar de heerlijke maïskolven lokken het dier dichterbij de stroman. Voorzichtig schuifelt het zwijn naar een maiskolf dat het dichtst bij hem ligt. Dan hapt het zwijn en rent met de kolf snel terug het maïsveld in. Pats! Het zwijn botst tegen een dichte muur van maïshalmen. Het beest rent naar de andere kant van de open plek, maar stuit ook daar op een ondoordringbaar dichte haag van maïsplanten. Het dier onderneemt nog enkele verwoede pogingen om van de open plek te ontsnappen, maar hij zit er opgesloten. Het zwijn geeft het op en kijkt versuft voor zich uit.

“Boe!”, roept Otto dan. Van schrik begint het zwijn, luid gillend, rondjes te rennen langs de rand van de open plek. Otto volgt de beweging en gooit dan een zwaar vangnet over het arme beest. Even later fwoept Otto de stroman zichzelf en het zwijn naar een speciaal tot zwijnenstal getimmerd schuurtje, dat achter zijn huis staat. Tevreden stapt Otto even later naar buiten en knipt met zijn vingers. Otto is weer verdwenen, om te gaan “shoppen” voor het belangrijkste ingrediënt.

~~~

Otto verschijnt enkele momenten later, met en zacht “fwwwoep!”, aan de andere kant van de wereld. In Guatamala om precies te zijn. De ochtend gloort daar net. Om hem heen groeien struiken vol met bessen zo groot als kersen. Otto plukt er eentje en stopt hem in zijn mond. Heerlijk zoet en rijp voor de pluk. Otto is er op het juiste moment. Hij frummelt een plastic puut uit zijn broekzak, waardoor er een flinke pluk Hollandse stro op de vulkanische aarde van de plantage valt. Dat zal ze nog lang bezig houden, denkt Otto. Snel en stilletjes, begint hij te plukken en een kwartiertje later fwoept Otto, met een puut vol rijpe, topkwaliteit Antigua-Arabica-bessen weer naar huis.

Thuis stort hij de koffiebessen in de voedertrog van zijn zwijnenstal. Het zwijn begint er, tot genoegen van Otto, meteen van te vreten. “Goed zo lekker zwijntje, eet maar lekker op”, purt Otto tevreden. Dan loopt hij naar buiten en sluit de stal goed af. Vanuit de tuin wordt Otto gadegeslagen door een gitzwarte, loenzende kater. Uit de scheve bek van de monsterachtige kat druipt een dikke klodder kwijl. Het gras om de plek waar de druppel neervalt sterft meteen af. “Scheer je weg, Knarf!”, roept Otto nijdig. Uiteraard heeft dat geen effect, maar Otto en Knarf hebben nou eenmaal een gecompliceerde verstandhouding. Knarf sjokt ongeïntimeerd weg en gaat een eindje verderop eens uitgebreid aan z’n gat likken, terwijl hij ondertussen het schuurtje met daarin dat malse zwijn, nauwlettend in de gaten houdt.

wordt vervolgd…

Handdrukduel

Een nieuw gezicht neemt mij op als ik de vergaderkamer binnen stap. Ik zie nieuwsgierigheid en verwachtingen. Van mijn leeftijd, zo schat ik. Dus ben ik meteen tot je-en-jijen geneigd. Hij staat meteen op van zijn stoel en zet een stap in mijn richting. Zijn rechter hand maakt een royale zwaai naar achteren en omhoog, om vervolgens zijwaarts op me af te duiken. Theatraal blijft de hand voor me in de lucht hangen. Het breeduit glimlachende gezicht van de aanbieder kijkt me met afwachtende blik aan.

Ik kijk de man rustig en (hopelijk) nieuwsgierig aan en steek twee tellen later mijn hand recht naar voren en neem de aangeboden hand aan. Normaal gesproken moet er voor een handdruk die prettig is voor beide partijen een zeker contactoppervlak zijn tussen de twee handen. De duim-oksels moeten lekker tegen elkaar sluiten en de handpalmen op elkaar. Dat lijkt mij de algemeen geaccepteerde handdruk. Maar de ander denkt daar duidelijk anders over. Al voor ik mijn duimoksel tegen de zijne heb, knijpt hij zijn hand dicht waarbij zijn vingers een rechte hoek met de rug van de hand maken. Een ongemakkelijke handdruk is het resultaat. Ik voel autoriteit gemengd met onzekerheid. Ik knijp terug en zorg dat hij zijn hand pas los kan laten als ik mijn naam heb uitgesproken. Hij moet zelfverzekerde autoriteit voelen van mijn kant. 

In het gesprek dat dan volgt blijken we mentaal toch elkaar’s gelijke. Er woedt een beschaafde egostrijd waarin we – ongemerkt voor de anderen aan tafel – schermen met kennis en ervaring. Een waardige opponent ondanks de hoekige handdruk. Ik zie uit naar het volgende duel. 

De kneep van het fwoepen

Op een dag, tijdens een heel saaie geschiedenisles van meneer van Puffelen  – zo heette hij niet echt, maar iedereen noemde hem zo omdat de man geen namen kon onthouden en dus “hee, van Puffelen!” riep tegen iedereen die niet zat op te letten –  zat de jonge Otto wat naar buiten te staren door het open raam. Hij zat helemaal achterin de klas, en leunde met zijn stoel op de achterpoten tegen de achtermuur van het klaslokaal. In zijn hand draaide hij behendig een HB-potlood tussen zijn grove, maar lenige vingers. Otto staarde naar een punt ver weg, weg van dit lokaal en dagdroomde dat hij in zijn boomhut zat.

Plotseling moest Otto niezen. Hij probeerde het tegen te houden, maar zijn neus kriebelde zo erg dat hij er tranen van in zijn ogen kreeg. Hij kon de nies niet langer ophouden en liet hem gaan. WHAAAAATSJOEOEOE! Zijn stoel kletterde ervan onderuit. Verschrikt draaide de hele klas zich om naar het harde geluid. Er doorheen klonk zacht “fwwwwoep!“, maar dat hoorde niemand. Otto’s stoel lag op de grond. Het potlood dat Otto in zijn handen had, rolde nog na over de vloer. De hele klas bulderde van het lachen, tot ze beseften dat Otto er niet meer was.

Omdat Otto bij het open raam zat, rende meneer van Puffelen geschrokken naar het raam en keek naar beneden, naar het plein. Het klaslokaal bevond zich op de derde verdieping. Het was ongelooflijk, maar Otto was nergens te bekennen. Otto’s klasgenoten begonnen opgewonden met elkaar te praten. Iemand riep: “Hij is vast omhoog geklommen, het dak op!”. Daar had van Puffelen niet aan gedacht.

Meteen rende hij het klaslokaal uit en liet het in rep en roer achter. Hij holde de trappen af, naar de kamer van de conciërge. Die was gelukkig op zijn plek. “Snel, hoe kom ik op het dak?”, hijgde van Puffelen. “Met de brandtrap, achter de kantine, maar wat?…”, maar van Puffelen was al weg.

Even later kwam hij puffend, met een rood hoofd boven de rand van het dak van de school uit, en klauterde het dak op. Hij speurde het hele dak af. Het was een groot, plat dak zonder enige plek voor iemand om zich achter te verstoppen. Waar zat die verdraaide vlegel? Van Puffelen begon bezorgd en boos tegelijk te worden. Het leek wel of dat pestjoch in het niets was opgelost.

Gek genoeg was dat ook min of meer precies wat er was gebeurd. Otto begreep er zelf ook niets van. Het ene moment zat hij te dagdromen in een muf klaslokaal, tijdens een suffe geschiedenisles, en het andere moment zat hij in zijn boomhut. Hij wreef over zijn kriebelige neus. Ja, dat is waar ook, hij moest niezen. De nies was niet tegen te houden, want hij had het gevoel gehad dat hij op ontploffen stond. En op het moment dat hij niesde, was hij nog half met zijn hoofd bij zijn boomhut. Lijfelijk was hij ergens waar hij niet wilde zijn, terwijl hij geestelijk ergens was waar hij juist wel wilde zijn. De nies had Otto’s geest en lijf weer verenigd, maar op de plek van de geest.

Otto grijnsde zijn kwajongensgrijns en zei hardop: “Cool!”. Hij zou willen dat hij het gezicht van van Puffelen had kunnen zien, en probeerde zich het beteuterde gezicht van de man voor te stellen. Zijn neus en gehemelte begonnen al weer te kriebelden. Bah, die verrekte pollen ook. Hier in de boom stikte het daar natuurlijk van. Otto’s gezicht vertrok in die typische niesgrimas. Ogen dicht, mond open….HAAAA……WHAAAAAA…..fwwwwwoep! Otto verscheen ineens weer naast zijn omgevallen stoel, achterin het klaslokaal van meneer van Puffelen….TSSSSJAAAA!!!…

Toen Otto zijn ogen weer open deed keek hij recht in het lijkwitte gezicht van meneer van Puffelen. “Ehhh..”, stamelde Otto. “Nhng…”, wist van Puffelen uit te brengen.  “Heeft u misschien een zakdoekje voor me meneer, ik heb geloof ik een beetje last van hooikoorts”, zei Otto waterig, en om haalde eens flink zijn neus op. Verdwaasd trok meneer van Puffelen een grote geruite zakdoek uit zijn broekzak en gaf het aan Otto: “hier jongen, neem deze maar, hij is nog schoon”. En vervolgde toen maar gewoon zijn saaie les, alsof er niets was gebeurd. Wat kon de arme man ook anders?

En dat was dus hoe Otto de Magiër erachter kwam hoe hij zich van de ene naar de andere plek kon “fwoepen”. Je moet met je geest eerst afdromen naar die andere plek en dan je lijf er “gewoon” naartoe trekken door het af te leiden door zoiets als een plotselinge nies. In het begin gebruikte Otto nog een veertje om onder zijn neus te kriebelen zodat hij moest niezen, en omgekeerd moest hij voortaan goed oppassen bij niesbuien. Maar al snel kreeg hij de kneep van het fwoepen onder de knie, zodat hij met een knip van zijn vingers kon oplossen in het niets. Buitengewoon handig natuurlijk voor iemand zoals Otto.

Speciale Berlijnservice

Een mevrouw en een meneer met twee grote koffers zetten zich neer in de stoelen direct achter mij. Ze hijsen zich uit hun dikke sjaals en jassen. “Hè hè”, zegt de mevrouw, “daar zitten we dan”. De meneer beaamt dit gegeven met een “Nou!”. De trein vertrekt meteen. “Goh, we hadden ook geen minuut later moeten zijn, hè”, klaagt de meneer, “dan hadden we onze trein gemist, wat een drama”.

 

Ik trek mijn laptop uit mijn tas en klap het open. “Dit is wel eerste klas, hè”, merkt de meneer meteen op. “O?”, vraagt de mevrouw. Maar ze blijven maar gewoon zitten. Ik zeg zelf niks, want wat gaat mij het aan? Dan komt de conducteur de coupé binnen gelopen: “goedemorgen, uw vervoersbewijzen alstublieft”. Even later is hij bij de meneer. “U zit verkeerd meneer, dit is 1e klas”. De mevrouw zucht en zegt: “O, maar dan zit ik ook verkeerd, want we horen bij elkaar”. “Dan moet u beiden een stukje doorlopen”, zegt de conducteur.

 

“Ja, we moeten helemaal naar Berlijn”, zegt de meneer dan gezellig. “Oooooo, had u dat nou even gelijk gezegd meneer”, roept de conducteur dan uit. “Nee, reizigers naar Berlijn vormen natuurlijk een uitzondering. Blijft u lekker zitten zeg. Wilt u er ook nog een kopje koffie bij misschien? Krantje? It’s on the house, speciale Berlijnservice!”, roept de conducteur uit. Met een zwierig gebaar trekt de conducteur zijn telefoon en belt meteen de ketering. “Ja hallo, ik heb hier twee reizigers naar Berlijn. Kunt u even twee koffie met een koekje komen bezorgen. Met een krantje erbij. Wat? O, een telegraafje zo te beoordelen. Ja. Okee. Bedankt!”, en de conducteur kijkt de meneer en mevrouw breedgrijnzend aan.

 

De meneer en mevrouw durven niks te zeggen. Neemt de conducteur ze nou in het ootje? “Eh, ik had toch liever een kopje thee dan”, durft de mevrouw heel zachtjes uit te brengen. “EN NU OPHOEPELEN, STELLETJE OUWE ZEMELAARS!”, roept de conducteur dan met overslaande stem. De meneer en mevrouw kruipen met bibberende onderlipjes in hun dikke jassen en sjouwen zichzelf en hun koffers bedremmeld naar de 2e klas. Och toch. “En nog een prettige reis naar Berlijn!”, roept de conducteur hen dan poeslief achterna.

Otto redt de paashaas

De ochtend gloort kil. Het is 3 graden onder nul en er dwarrelt motsneeuw naar beneden. Alle kindertjes liggen nog op één oor in hun warme bedjes. Buiten, in een te witte wereld voor de tijd van het jaar hopt de paashaas. Hop, hop, hop. In zijn pluizige voorpoten heeft hij een mand vol eieren. Anatomisch zijn hazen daar eigenlijk niet toe in staat, maar als een dode visser weer tot leven kan komen, dan is dit maar een eenvoudig wonder natuurlijk.

Met zijn hazelippen kan de paashaas nog iets wonderlijks, iets wat normale hazen ook niet kunnen: grijnzen. En al grijnzende verstopt het overal zijn bonte eieren. Nou ja, verstoppen is het juiste woord niet. Want de kindertjes moeten ze wel kunnen vinden natuurlijk. De paashaas zet ze zo neer dat ze in het oog springen voor mensjes met een ooghoogte van 4 turven.

Over het stoppelveld hopt de paashaas met zijn magische mandje met eieren. In werkelijkheid is het natuurlijk gewoon een kunstmatige wormhole naar de geheime voorraad bonte eieren. Is natuurlijk wel zo praktisch. Voor de paashaas is het de normaalste zaak van de wereld. Hop, hop, hop. Verder gaat zijn weg. In de verte steekt een dak met een rokende schoorsteen boven de ochtendnevels uit. Daar wonen vast ook kindertjes. Nietsvermoedend hopt de paashaas af op het gevaar.

Knarf, de afschuwelijkste kater ter wereld, sluipt onhoorbaar door het witgerijpte gras. Hij hoorde zijn prooi al van kilometers afstand aan komen stampen. Het domme beest doet niet eens moeite om niet op te vallen. De witte wieven op het veld maken dat Knarf op zijn beurt geen moeite hoeft te doen om onzichtbaar te zijn. Hop, hop, hop. De paashaas komt dichterbij.

De geur van een malse, kingsized haas, dat zelfs een toetje met zich mee draagt, maakt Knarf wild. Een dikke druppel heet kwijl vormt zich in de hoek van zijn lelijke, scheve bek. Knarf’s kwijl heeft een ongewoon hoge PH-waarde. Het heeft iets te maken met Indiase curry… Onvermijdelijk valt de druppel op de bevroren aarde: TSSSSSCH! Plotseling staat de paashaas stil. Wat was dat voor geluid?

Achter de paashaas klinkt dan een ander vreemd geluid: fwwwwwoep! Verschrikt draait de paashaas zich om. “Hi”, zegt Otto de Magiër tegen de paashaas, en dan: “Oooo, shit nee”, als hij ziet dat zijn monsterachtige huisdier de aanval heeft ingezet. “KNARF! FOEI!”, buldert Otto over het veld. Maar Knarf is niet onder de indruk. Grauwend als een panter rent de moordlustige, schele kater op de twee paashazen af.

Blikemsnel duikt Otto naar de van paas aan de grond genagelde angsthaas. Snel fwoept hij zichzelf en de paashaas naar een plek kilometers verderop.  “Voortaan blijf je beter maar uit de buurt van Knarf’s jachtgebied, je was bijna het haasje. Ha ha ha! Haasje! Vat jum?”. De paashaas kijkt Otto meewarig aan en schudt zijn nog immer grijnzende kop. “Ik heb geen tijd voor je flauwe grapjes”, zegt de paashaas chagrijnig. Dan draait het zich om en hopt in de richting van het vredige slapende dorpje verderop.

“Ho ho, krijg ik geen beloning?”, roept Otto verontwaardigd. De paashaas stopt en slaakt een diepe zucht. Geërgerd gooit het zonder om te kijken één vrolijk gekleurd eitje over zijn schouder. Otto peutert meteen het folietje eraf. Witte chocola. “Hee, heb je geen puur!?”, roept Otto de paashaas verontwaardigd na. En dan doet de paashaas weer iets dat hazen anatomisch niet kunnen aangezien ze geen middelvingers hebben…      

Heren horen niet in bussen

Tussen Zwolle en Meppel reden gisteren even geen treinen. Dat heb je soms. Deze keer stonden er ruimschoots genoeg, luxe bussen klaar. Als schaapjes werden de passagiers bijeen gedreven door mannetjes en vrouwtjes in fluoriserende gele vestjes. Gedwee liet ik me mee drijven tot ik op mijn plekje in de bus zat. De chauffeur had sky radio aan staan. Uit de plafond-speakers boven de stoelen klonk muziek uit de jaren 80. Roxette, geloof ik.

Schuin voor me ging een deftig heerschap met een Frans hoedje op zijn grijze kop met een diepe zucht zitten. Hij spotte de chauffeur van de bus die even door de bus liep om te zien of iedereen recht zat. “Chauffeujjjj, kan dit uit alstublieft?”, riep het heerschap met de Franse hoed, en hij wees naar de plafond-speaker boven zijn hoofd. “Nee, dat kan niet”, zei de chauffeur kortaf. Het heerschapje keek geërgerd om zich heen, op zoek naar medestanders, maar zijn buurman deed snel zijn oordopjes in. Zelf dook ik maar in mijn elektronische boek.

De heer met het hoedje zag er nu toch wel wat sneu uit. Hij had zijn tas op zijn knieën en zijn handen om de hengsels geklemd. Het is me ook wat: van ruime stoel in de 1e klas naar een krappe stoel in een bus. Ik zat feitelijk in hetzelfde schuitje, maar schikte me maar gewoon naar de situatie. Ze hadden me ook uren op het koude perron kunnen laten staan in vertwijfelde afwachting op informatie over de toestand. Maar het heertje met de Franse hoed wilde het er niet bij laten zitten. Met bevende handen haalde hij een papiertje uit zijn tas. Een foldertje over ’t een of ’t ander. De achterkant was blanco. Toen haalde hij een chique pen uit zijn binnenzak en schreef hij driftig: “17.50, in de bus”.

Het boze heertje dacht een tijd na. Zijn dikke vingers frummelden nerveus. Plotseling beseft ik me dat ik de man zat te bespieden, dus besloot ik mijn ogen maar even dicht te doen. In mijn gedachten schreef ik met het boze heertje mee: “Geachte heer, met diepe verontwaardiging wil ik u mededelen dat ik door de uwen nogal onheus en met onbetamelijk gebrek aan respect voor oudere heren met hoeden bejegend ben”, zoiets.

Het duurde niet lang voor we in Meppel aan kwamen. Niks langer dan de trein erover zou hebben gedaan. Toen ik mijn ogen open deed ving ik een glimpsje op van het papiertje van het boze heertje met de Franse hoed. Er stond een tijdslijn op. Aan het begin ervan stond 1979. Toen was het OV-personeel nog vriendelijk en beleefd. Toen zette de NS nog taxi’s in voor heren met Franse hoeden. Heren horen toch ook niet in bussen waar je wordt gedwongen te luisteren naar popmuziek?