verhaal

De netnietnies

Ken je dat, dat je een ontzettende nieskriebel hebt, en dat je heel graag wilt niezen, maar dat ‘ie er maar half uit komt? Da’s echt verschrikkelijk als dat gebeurt. Niezen is het lekkerst als je het vanuit je tenen kan doen. Ik begrijp die mensen die hun niezen afknijpen dan ook niet. En tegelijkertijd verbaas ik me erover dat bij die niesknijpers de trommelvliezen niet scheuren.

Ik kneep ooit eens mijn nies tijdens een klassiek concert. Ik was snipverkouden en men zat al voortdurend geërgerd achterom te kijken naar mij als ik voor de zoveelste keer net in een stilte in de muziek mijn neus ophaalde. En toen moest ik dus ineens heel erg niezen, precies in een heel zacht stukje waarin een dwarsfluiter iets heel fragiels en prachtigs deed. Maar ik hield het niet meer. Ik kneep de nies af, in mijn zakdoek. Het luchtte geen meter op, dus het bleef kriebelen (het werd alleen maar erger) en ik bleef maar niesknijpen. Mijn oren deden er pijn van en de tranen liepen over mijn gezicht. Een nies moet gewoon door je neus en mond naar buiten, op maximaal vermogen, want anders kan de niesfunctie zijn werk niet goed doen.

Uiteindelijk ben ik naar het toilet gegaan om even uitgebreid en ongeneerd te niezen. Ik moest eerst langs een lange rij geërgerde mensen strompelen. In het toilet aangekomen ging ik voor de spiegel staan en keek naar mijn druipende gezicht. Mijn neus was rood en mijn ogen rood doorlopen. Ik trok die typische niesgrimas en zette mezelf helemaal open voor die heerlijke, woeste, bevrijdende nies. Mijn neusvleugels tintelden, mijn wimpers trilden, ik liet hem al zijn kracht verzamelen, vanuit mijn tenen:

Ha…haaaaa…haaaaaaaa….hjaaaaaa….HJAAA….HAAAAAA….

HAAAAAAAAAAAAAA!!!!……

NNNNJAAAAAAAAH……tssssjit

Niet die zalige ontlading. Geen bevrijding. Geen opluchting. Mijn neus en ogen leken wel in brand te staan. In de spiegel keek iemand naar me terug die ik nauwelijks herkende. Kleine oogjes, enorme rode neus, mond half open, boventanden zichtbaar. Het resultaat van de gevreesde netnietnies. En ondanks alle prikkelende tintelingen in mijn hele gezicht was de niesbui opgelost en kwam niet meer terug voor een herkansing.

Ik sjokte maar weer naar de concertzaal terug. Deed de deuren open en kroop weer voor al die mensen langs, terug naar mijn stoel. Het hele orkest, inclusief alle slagwerkers ging net geweldig tekeer. Een magnefieke muzikale klimax: PAHMPAHMPAHM! PAHMMM! PAAAHM! … PAMMM!….PAAAAAHM…En plotseling kwam hij dan toch. Niet tegen te houden. Ik keek angstig om me heen. Het kón nu wel. Het orkest zou mijn nies camoufleren, dus ik liet ‘m komen. De muzikale klimax bouwde verder op:

RRRRRAHMPAHMPAHM! PAHMMM! PAAAHM! … PAMMM!….PAAAAAHM………PAHM…..

en in de stilte voor de finale orkestrale uitbarsting kwam mijn fenomenaalste en best getimede nies ooit:

WHAAAAAAAAAAAAATSSSSSJOEOEOEOEOEOEOEH!!!

…en toen volgde het orkest met PAAAAAAAAAAAAAAHMMMMMMMM!  En ik was me toch een partij opgelucht zeg! Ik ga natuurlijk nooit meer snipverkouden naar een klassiek concert.

Otto’s verhuizing

Het huisje stond al vele jaren leeg en te koop. Niemand wilde het blijkbaar hebben. Je moet het ook eerst maar weten te vinden, want het ligt erg afgelegen. In een schimmig gebied waarvan we niet helemaal zeker weten of het wel bij Nederland hoort of niet. Maar op een dag was het toch zomaar verkocht. De makelaar wist zich nog vaag te herinneren dat de koper licht naar buskruit rook en dat hij in een roestig, oud Golfje reed.

Het is heel vroeg in de ochtend. Het is doodstil en het huisje is gehuld in nevels. Met een zacht fwoep! verschijnt er plotseling een man in het lege huis. Hij zit in een grote, leren draaistoel. Otto de Magiër laat zijn vertrouwde, oude stoel een rondje draaien en kijkt tevreden rond in zijn nieuwe woning. Hij is er zeer mee in zijn nopjes. En dan knipt hij met zijn vingers en weg is ’t ie weer. De stoel draait nog na.

Otto verschijnt weer in zijn oude huisje, precies op de plek waar zijn favoriete stoel stond. Hij pakt een bescheiden jute zak en kijkt naar een grote houten kist waarin hij het meeste van zijn bezittingen heeft gestopt. Otto zet een aantal passen naar achteren tot hij tegen de muur aan staat met zijn rug. Nu staat hij ver genoeg van de kist. Hij kijkt er met één oog dicht naar, tussen zijn duim en wijsvinger door. Zo lijkt de kist nog maar zo groot als een luciferdoosje. Otto pakt de kist tussen duim en wijsvinger op en stopt het in de jute zak. “Hopla!”, roept Otto vrolijk.

Hetzelfde doet Otto met de rest van zijn huisraad. De koelkast, de televisie, een stuk of wat kasten, twee tafels, alles gaat in de jute zak. Zelfs het oeroude fornuis, zijn zware, gietijzeren bed en uit de schuur, jawel, zijn roestige VW Golf. Als Otto’s oude huis helemaal leeg is, hangt Otto de jute zak achteloos over zijn schouder en loopt de voordeur uit, naar buiten. Otto haalt heel diep adem en schreeuwt dan uit alle macht “KNAAAHAAAARF!!!”. De vogeltjes stoppen van schrik allemaal met zingen.

Uit de struiken komt even later een enorme kat gesjokt. Ruim 28 kilo verwilderde kat. Jaagt op hazen en reeën. Buizerds vrezen hem. Het beest kijkt Otto aan met een blik van “wat mot je nou weer?” en grauwt en gromt vervaarlijk. Otto kijkt terug met één oog gesloten, door duim en wijsvinger, en pakt de monsterachtige kater ruw in zijn nekvel. “Hoppekee”, zegt Otto, en hij stop het wild om zich heen maaiende beest in een klein kooitje dat aan een ketting om zijn nek hangt. Het gegrauw van de geminimaliseerde Knarf klinkt nu als een hele pissige bromvlieg. Otto doet dan “Knnnipp!” en is verdwenen.

…fwwwoep! Otto verschijnt in zijn nieuwe huis. Hij zet de tuindeuren wijd open en haalt de ketting met het kooitje van zijn nek. Knarf gromt en grauwt nog als een dolle. Otto houdt het kooitje tussen duim en wijsvinger en strekt zijn arm zo lang mogelijk, richting het weiland achter de tuin. Hij kijkt weer met één oog dichtgeknepen door diezelfde duim en wijsvinger. Met een tandenstokertje wipt hij met zijn andere hand voorzichtig het deurtje van het kooitje open. Knarf springt er meteen uit en landt met een zware plof in het weiland, achter de sloot. De enorme kater komt woest overeind, springt met gemak over de sloot en rent met een moordende blik in zijn ogen op Otto af. Otto trekt snel de tuindeuren dicht zodat de kater er niet in kan.

En terwijl Knarf buiten als een bezetene zijn woede koelt op het lakwerk van de tuindeuren, haalt Otto één voor één zijn spullen uit de jute zak en plaatst ze in zijn nieuwe huis. Even later is Otto klaar en kijkt hij tevreden in het rond. Ja, Otto voelt zich thuis. Het valt hem op dat Knarf zijn gevecht met de tuindeur heeft opgegeven. En even later ziet hij de echte reden waarom de woeste kater was opgehouden met zijn razernij. Uit het bos achter het huis is een groot zwijn aan komen scharrelen. Knarf sluipt door het hoge gras, recht op zijn prooi af. Zo te zien gaat schele Knarf zich hier ook prima thuis voelen.

Ver van huis

Als jonge student liep ik ooit een half jaartje stage in Amsterdam. Ik woonde nog bij mijn ouders. In de weekenden ging ik naar huis. Meestal op vrijdagavond al. Zo ook deze avond. Ik sta bij de Keizersgracht te wachten op de tram naar Amsterdam Centraal. Het is winter en het is al vroeg donker. De tram is laat. Ik sta er al een kwartier te vernikkelen van de kou. Ik sta er ook helemaal alleen. Links uit de straat klinken plots voetstappen. Ik kijk even opzij. Een verlopen typ met lange jas zwalkt in mijn richting. Ik ben meteen op mijn hoede.

De ongure griezel komt naast me staan. Hij riekt verschrikkelijk. De kerel slaakt een gespeeld geërgerde zucht en zijn adem beslaat. De wolk waait langs mijn gezicht. De stank uit zijn vieze, ongeschoren muil maakt me misselijk.”Ga maar mee naar de nutsbank”, zegt hij dan met een grijns die me op me mijn gemak moet stellen of zo, maar het werkt averechts, “hier komt geen tram meer vanavond”.

Nutsbank? Wat nou nutsbank? Ik kijk hem, hopelijk koelbloedig – en op dat moment voelt mijn bloed eigenlijk ook ijskoud – aan, en zeg met geknepen stem zo kalm als ik kan: “Ach jawel joh. Hij kan elk moment komen”. Ik wijs in de richting waar hij vandaan moet komen. Dan trekt de kerel een enorm mes onder zijn jas vandaan en begint met de punt ervan zijn vuile nagels schoon te maken, “Ik zou er maar niet van uitgaan”, zegt hij, nu gemeen grijnzend. Koud zweet breekt me uit op mijn rug.

Ik begin rustig weg te lopen. In de richting van de tramhalte aan de overkant. Daar komt zojuist en groepje mensen naartoe gelopen. De tram de andere kant op zie ik in de verte al aan komen rijden. Ik versnel mijn pas. Ik hoor voetstappen achter me. “Hee vriend, waar ga je nou naartoe?”, hoor ik achter me. Ik negeer hem en ren nu naar de overkant van de brede straat. Het groepje mensen bij de halte neemt me bevreemdend op. Maar dan komt de tram al. Ik stap er op en ga zitten. Mijn hart klopt in mijn keel, en het klamme zweet parelt van mijn rug. Ik kijk nog even achterom naar de halte waar ik net stond. Het ongure typ staat mijn tram na te staren. Ik rij de verkeerde kant op, maar ik leef nog.

Een vrouw kijkt bezorgd naar me en vraagt of ik me wel goed voel. “Ik ben net met een enorm mes bedreigd”, zeg ik met een stem die ik nauwelijks herken. Ze kijkt me geschrokken aan en vraag dan: “Waar moet je naartoe?”. “Naar centraal”, zeg ik met een belachelijk schor stemmetje. “O, blijf maar gewoon zitten, want deze tram rijdt heen en weer. Wil je dat ik bij je blijf?”. Ik haal eens diep adem en blaas het – pffffff – langzaam uit. Dan schud ik zachtjes van nee. Ze neemt me bezorgd op en zegt dan vastbesloten: “Nee hoor, ik laat je beter maar niet alleen”. Zorgzaam begeleidt ze me helemaal terug naar Amsterdam CS. Ik was haar oneindig dankbaar. Nog nooit voelde ik me zo ver van huis. Pas in mijn trein richting het veilige Noorden kon ik weer rustiger adem halen.

Otto’s stemmingmakerij

Otto de Magiër staat midden op de hei. Zijn grote, blote voeten een eindje uit elkaar in het natte veen. Armen naast zijn lichaam, vingers gespreid. Zijn ogen zijn gesloten en zijn gezicht is ontspannen. Hij stond daar al voor de zon op kwam. Hij staat er al uren. Om hem heen is het heel stil. Zelfs de wind die hier altijd staat is gaan liggen. Otto heeft zijn plaats in genomen lijkt het wel. En dat is dan ook precies wat hij heeft gedaan. Otto is de wind. De wind die door Nederland waait. Behalve op dat plekje op de hei.

De wind waait kriskras door het hele land. Plagerig schudt hij haren in de war en blaast hij toupetjes in de lucht. Hij ruist door het gewas en giert over de daken. Hij laat de populieren buigen en maakt schuimkoppen op het water. Otto is in zijn element. Dan ziet hij beneden op straat, in een drukke stad een klein mannetje lopen met golvende witte lokken. Professionele body guards om hem heen. Otto gaat er onbevreesd op af. Onderweg verzamelt hij zand en bladeren. Hij begint te draaien. Steeds sneller en sneller. Het mannetje met de witte lokken kijkt nu argwanend in zijn richting. Hij likt nerveus aan zijn bovenlip. 

Op de hei balt Otto zijn vuisten. Het kleine mannetje duikt angstig ineen achter zijn body guards. Een woeste, wervelende kolom van zand en bladeren raast op het groepje af. De body guards gaan dichter om het kleine mannetje staan. Otto giert om hen heen. Steeds harder en harder. Het groepje is helemaal verdwenen in zijn onstuimige wervelwind. Het geraas is oorverdovend. De body guards staan ineengedoken met hun armen voor hun gezicht. En dan is het plotseling afgelopen. De body guards wrijven het zand uit hun ogen en slaan de bladeren van hun kleren. Het kleine blonde mannetje ligt op de grond, zijn armen stijf om zijn opgetrokken knieën heen.

Door het hele land kijken honderdduizenden mensen ineens verdwaasd naar het rode potlood dat ze in hun hand hebben. Het lijkt wel alsof ze uit een droom zijn opgeschrikt. De punt van het potlood zweeft boven het stembiljet. Vertwijfeld wrijven ze door hun haren en schudden ze hun hoofd. Er valt zand op het stembiljet. En dan, in een moment van absolute helderheid, kleuren ze toch een ander vakje rood.

 

Nachtmerrie van een bumperklever

Waldo heeft een afspraak bij een belangrijke klant en hij is laat, maar als hij even gas geeft kan hij nog op tijd zijn. De weg voor hem is leeg dus hij trapt het gaspedaal van zijn zilvergrijze Mercedes helemaal in. De auto schiet gretig naar voren. De weg is van hem. Iedereen zal wijken.

Verderop doemt de eerste sukkelaar al op. Even een kort tikje groot licht en de sukkel schiet schichtig als een hert opzij. Hij is heer en meester van de weg. Dat heerlijke gevoel van superioriteit geeft hem een geweldige kick. Hij aait voorzichtig langs de zijkant van zijn hoofd. Strak in de gel. Hij checkt het even snel in de binnenspiegel. “Goeie kop”, zegt hij hardop.

Hij passeert een colonne vrachtwagens. Als slakken kruipen ze over het asfalt. Een halve kilometer verderop voegt een lullig klein autootje in op de snelweg, tussen twee van die dikke slakken. Waldo geeft nog meer gas. Tot zijn grote ergernis besluit dat kleine kutautootje ineens in te gaan halen. Het gore lef. Waldo trapt nijdig op zijn rem en gaat vlak achter het aftandse karretje rijden. Het is een roestige, oude VW Golf, met gaten in de achterklep.

Waldo stuurt een beetje naar links en kruipt er nog dichter op. Nijdig flitst hij een paar keer met zijn groot licht. De bestuurder van het golfje draait bedaard zijn raampje open, steekt een grote harige hand naar buiten en geeft hem een middelvinger. Waldo wordt woest. Rechts is er ruimte, dus hij duikt naar de rechter baan. Maar dan schiet die ouwe roestbak naar voren. Dit wordt dus persoonlijk. Waldo trapt zijn Mercedes op zijn staart, maar de Golf is belachelijk snel.

Traag gepeupel belemmert hem verderop op de rechter baan. Zonder richting aan te geven duikt Waldo weer naar de linker baan. Het Golfje rijdt nog steeds voor hem maar mindert snelheid. Even later kleeft Waldo weer aan zijn roestige, scheve bumper. Weer wordt het raampje bedaard open gedraaid. Tot zijn ontsteltenis ziet hij dan hoe de bestuurder nota bene door het raampje naar buiten klimt! Het is een bizar lange gozer met woeste, zwarte haren en borstelige wenkbrauwen.

Tot Waldo’s verbijstering klimt de mafkees op het dak van de Golf en gaat staan. Het is onmogelijk, maar de man weet zich staande te houden. Wie bestuurt nu die Golf!? Ineens beseft Waldo dat hij maar beter zijn afstand vergroot en haalt zijn voet van het gaspedaal. Hij ziet de toerenteller teruglopen, maar de afstand tot de Golf wordt geen millimeter kleiner. Hij remt flink bij, maar behalve dat de mafkees op het dak van de Golf wild met zijn armen moet zwaaien om zijn balans te bewaren, wordt de afstand tot de Golf niks kleiner. Het lijkt wel alsof hij letterlijk aan de Golf zit vastgeplakt.

Otto de Magiër kijkt naar de bestuurder van de dikke Mercedes die hij heeft gevangen. De stumper schijt nu vast zeven kleuren stront. Moet ‘ie ook maar niet zo plakken. De gril van de Mercedes is versmolten met de achterkant van zijn Golf. Tsss, hoe is het mogelijk. Otto grijnst tevreden. Wijdbeens staat hij op het randje van het dak van zijn ouwe Golfje. Zijn lange zwarte jas wappert om hem heen. Otto steekt zijn rechterhand in zijn jas, alsof hij een pistool gaat trekken. Hij lacht boosaardig. Dan springt hij op de motorkap van de Mercedes en trekt een fel brandende snijbrander uit zijn binnenzak….

Mijn Spartaanse Vlieg

Het beest zoemt zenuwachtig door de kamer. De rode knor ligt naast me op de bank. Zijn oren bewegen. Hij richt ze op het gezoem. Ik kriebel hem geruststellend over zijn buik. “Zou je die vieze vlieg niet eens gaan vangen?”, vraag ik hem. Maar hij rolt zich op zijn rug.

Intussen word ik kriegel van dat gezoemzoem om mijn kop. Het vliegt een kriebelige vlucht. Nerveuze bewegingen. Willekeurig door mijn gezichtsveld. Alsof het in wilde paniek naar iets op zoek is. Ik word er gek van, dus ik sla er woest naar. Het lukt me om de vieze vette vlieg een flinke mep te geven als het voor me langs buzzt. Met een geruststellende tik slaat het beest tegen de muur, en dan op de grond. Einde buzz. Mooi

Nu kan ik weer mijn aandacht bij de film houden. Er vliegen afgehakte ledematen en hoofden in slow motion over de buis. Die vlieg leidde me van al dat geweld af. Maar nu is hij verdelgd. De rode knor krijgt het zo meteen als snoepje. Ineens zie ik iets over de parketvloer trippelen. In een kronkelig patroon van duizeligheid. Het is die stomme strontvlieg weer. Het stijgt op en vliegt pissiger dan ooit rond de kamer. Maar het wordt roekeloos en sjeest de halogeenlamp in. Daar wordt ‘ie geroosterd als een pinda. Nog een laatste zwakke bzz en dan is het afgelopen met hem.

Leonidas werpt zijn helm af. Gooit zijn zware schild op de grond. Hij veinst zich te onderwerpen aan de overmachtige Xerxes, maar dan…buzzzebuzzzebuzzzebuzzzzzz. De onsterfelijke strontvlieg is herrezen uit zijn hoopje as. Terwijl ik als een wildeman door de kamer spring met een opgerolde krant zie ik nog net hoe Leonidas verdelgd wordt door een hemelverduisterende regen van pijlen. Mijn Spartaanse vlieg trotseert mijn toorn. Ik weet niet hoe ‘ie het doet, maar ik zweer je dat het gezoem een smalend toontje kreeg. Ik geef het op en ga maar slapen.

Otto ziet Grijs

“Mevrouw..eh..Grijs?”, Dr. Jan-Jaap van Rooijen kijkt verbaast om zich heen. Om één of andere reden stoort het hem ineens dat de fotolijst aan de muur tegenover zijn deur niet helemaal recht hangt. Dat hem dat ineens stoort is gek, denkt hij. Hij is bepaald geen pietlut. Toch loopt hij ernaar toe en hangt het recht. Op een afstandje kijkt hij er naar en krabbelt aan zijn hoofd. Vreemd. Er is niemand in de wachtkamer.Toch heeft hij het zoemertje van de deur gehoord.

Hij draait zich hoofdschuddend om om weer terug in zijn kamer gaan, maar dan hoort hij een diepe zucht achter zich. Gerda staat op van haar stoel en zegt op gedempte toon: “Hier ben ik, dokter”. Jan-Jaap draait zich met een ruk om. “Wawa…waar komt u nou vandaan?”, stamelt hij. “Ik zat hier al de hele tijd, maar u zag me niet”, zegt Gerda. Ze wijst naar de stoel die recht onder het fotolijstje staat dat hij zo-even recht hing. “U stond zelfs bijna op mijn tenen”, merkt Gerda op.

Jan-Jaap kijkt plotseling naar de stapel tijdschriften op het leestafeltje. Is dat echt de Psychologie van februari 2004? Gerda schraapt even haar keel. Jan-Jaap maakt een komisch sprongetje. “Juist, juist, eh, komt u verder mevrouw…eh..”, hakkelt Jan-Jaap. “Grijs, Gerda Grijs”, vult Gerda hem aan. Ze loopt zijn spreekkamer in en gaat zitten in een grote, bruine, leren fauteuil. Voor de zekerheid neuriet ze een wijsje, om te voorkomen dat de psycholoog haar weer over het hoofd ziet. Het eerste wat haar te binnen schiet is Altijd is Kort Jakje ziek.

Jan-Jaap gaat tegenover Gerda zitten. Er hangt een spinragje aan het plafond, ziet hij ineens. Geërgerd staat hij op en zoekt iets om het ragje mee te kunnen weg vegen. “Wat een bende”, mompelt hij en loopt zijn kamer uit. Even later komt hij terug met de kruimeldief uit het keukentje. Hij klimt op zijn stoel en zuigt her ragje boven Gerda’s hoofd weg. Gerda bekijkt het gelaten. Hij is haar al weer vergeten. Hij bergt de kruimeldief weer op en komt enkele tellen later zacht zingend binnen: “altijd is Kort Jakje ziek…”. Gerda giechelt. “Liedje in uw hoofd?”, vraagt ze.

Gerda kan hierom lachen, maar tegelijkertijd wordt ze er moedeloos van. “Dokter, kunt u me helpen?”, vraagt ze dan. Jan-Jaap ziet haar nu duidelijk in zijn oude fauteuil zitten. Een kleine, spichtige vrouw met sluik peper-en-zout haar dat voor haar gezicht hangt als ze haar hoofd naar voren hangt. Zijn ogen prikkelen en hij wil zijn bril afzetten om in zijn ogen te wrijven. Gerda zegt snel: “dat komt door mij, dat u in uw ogen wilt wrijven”. Jan-Jaap lat zijn handen weer zakken en mompelt: “Opmerkelijk, heel opmerkelijk”. Maar dan staat Gerda woest overeind. Ze stampt met haar voet en roept: “Nee, nee, nee, nee, nee!! Niet opmerkelijk! Dát ben ik dus niet!”

Jan-Jaap ziet haar daar staan. Wat bazelt ze toch? Hij krijgt vaak vage types in zijn spreekkamer, maar deze vrouw is zo vaag dat het hem moeite kost om haar op te merken. Zelfs die gedachte kan hij slechts met opperste concentratie nauwelijks vasthouden. Daarom schrijft hij het meteen op het dossierblad van deze patiënt:

Mevrouw Grijs is een opmerkelijk vage en onopmerkelijke vrouw. Eenzaam. Getraumatiseerd.

“Mevrouw Grijs…”
“Gerda”, zegt Gerda zacht.
“Ja natuurlijk, Gerda… eh… vertel eens, hoe is het met je moeder, heb je goed contact met je moeder?”
Gerda barst in huilen uit. Jan-Jaap schuift geroutineerd de doos tissues naar haar toe. Snotterend en snikkend begint Gerda te vertellen:

“Ik heb al vanaf mijn geboorte ontzettend gekrijst om de aandacht die ik nodig had. Anders was ik van de honger gestorven. Mijn moeder noemde me een krijsbaby. Ik heb haar stapelgek gemaakt. Toen ik 4 was, en voor het eerst naar school ging, merkte de juf me niet op, net als jij net deed in de wachtkamer. Ik speelde altijd alleen, omdat mijn klasgenootjes mij niet zagen staan. Letterlijk. Op die eerste schooldag vergat mijn moeder dat ik bestond. Ze haalde me niet meer op van school”. Gerda haalt even diep adem, is even stil en vraagt dan: “Dokter, hoe bestaat het dat ik de enige ben die weet dat ik besta?”.

Dr. Jan-Jaap heeft alles gehoord en is zichtbaar ontdaan. Maar dan klinkt plotseling een reutelend zoemertje. Van schrik kijkt hij op zijn horloge. Hij slaat Gerda’s dossier dicht en legt het aan de kant. Gerda haalt haar schouders op en staat op van haar stoel. Ze bestaat niet meer voor hem. Jan-Jaap is naar de wachtkamer gelopen en komt even later weer naar binnen. Hij wordt gevolgd door een lange man met woest, ongekamd haar en een lange zwarte, wollen jas. De man trekt verbaast zijn borstelige wenkbrauwen op als hij Gerda ziet en zegt dan: “Dokter JJ, stuur die schoonmaakster eens even weg!”.

Gerda loopt verbijsterd naar buiten. “Schoonmaakster? Welke schoonmaakster?”, hoort ze Dokter JJ antwoorden, “Gaat u zitten meneer Zwartjes. Koffie?” Er klinkt gerinkel van koffiekopjes. “Ja. Graag. En zeg maar Otto”, zegt Otto. Hij kijkt achterom of Gerda al weg is. Ze staat nog in de deuropening. Otto de Magiër trekt zijn linker wenkbrauw op en neemt haar aandachtig op. Dan sluit Gerda zachtjes de deur achter zich dicht en huppelt naar buiten. Ze jubelt van binnen en glimlacht van oor tot oor. Die rare snuiter, Otto, zag haar wél!

Uitgelezen

Onderweg naar wist hij veel vond hij een klein, groezelig boekje. Het lag gewoon op zijn pad. Toen hij het opraapte, kreeg hij heel sterk het gevoel dat het andersom was. Het boekje had hém gevonden. Het lag gewoon te wachten tot hij langs kwam. In zijn handen leek het bijna vanzelf open te willen vallen. Alsof het heel nodig gelezen moest worden. Het boekje zag er onschuldig genoeg uit. Gewoon een klein handzaam boekje. Toch kreeg hij het gevoel dat het boekje iets van hem wilde. Ja, het leek bijna alsof het hem smeekte om alsjeblieft open geslagen te worden.

Dat gevoel bevreemdde hem zo sterk, dat hij het boekje snel in zijn tas wilde stoppen. Maar het leek wel of het boekje zowaar tegenstribbelde. Het bleef met de punt van de kaft haken achter een lusje in de bekleding van de tas. Het stuitte op andere spullen in zijn tas. Het boekje wou gewoonweg niet in zijn tas gestopt worden. Hij keek even schichtig om zich heen en zei toen tot zijn eigen verbazing: “Ik kan je toch moeilijk hier midden op het pad, in de regen gaan staan lezen”. Het boekje leek hem bijna pruilend vanuit zijn tas aan te kijken. Zuchtend haalde hij het boekje er weer uit en stak het in de binnenzak van zijn jas. Dat vond het boekje blijkbaar beter, want het stribbelde niet tegen.

Nu kon hij zijn weg vervolgen, maar het boekje bleef steeds in zijn gedachten. Tijdens het lopen voelde hij hoe het boekje over zijn borstkas heen en weer bewoog. En hoewel het boekje vrij klein en niet veel had gewogen toen hij het had opgepakt, begon het in zijn binnenzak steeds dikker te voelen. Ook begon zijn jas door het gewicht van het boekje steeds vervelender over zijn schouder te schuren. Op gegeven moment deed zijn schouder er zo zeer van dat hij zijn jas uit trok en over zijn tas hing die hij over zijn andere schouder droeg. Het boekje hing nu aan de buitenkant van de tas, wat hem niet in dank werd afgenomen. Het bokte en stootte overdreven bij iedere stap die hij zette. Tot het plotseling met een geïrriteerde – ja, zo klonk het – plof achter hem op het pad viel.

Verbaasd draaide hij zich om. Het boek lag er verbolgen bij. De binnenzak van zijn jas was er helemaal uit gescheurd. “Wel potverdikkeme!”, riep hij boos, en hij smeet zijn jas naast het boek op de grond, “nu is mijn goeie jas kapot!”. Van schrik kromp het boek ineen. Dat leek althans zo. Boeken kunnen natuurlijk niet schrikken. Maar toch verbeeldde hij zich dat het boek ineens kleiner leek. Met twee handen pakte hij het boekje voorzichtig op en bekeek het nu eens goed. Er stond een zon afgebeeld op de kaft. Verder stond er geen tekst op. Het boekje liet zich een aantal keren gewillig omdraaien, maar na een aantal keren flapte het open op de eerste bladzijde. Hij moest het boekje gaan lezen wilde hij meer te weten komen. Dat was duidelijk.

Toevallig stond er een bankje op de plek waar het boekje op de grond was gevallen. Hij zette zijn tas op de grond en ging op het bankje zitten. Even keek hij om zich heen. Het was een heel mooi plekje voor een bankje. Hij keek uit over een grote ven dat omringd was door berkenbomen. Hij keek naar het boekje in zijn hand dat nog steeds open lag op de eerste bladzijde. Toen hij begon te lezen brak de zon door, maar dat merkte hij niet op, want het boekje nam hem helemaal in beslag.

Pas toen het te donker werd om nog verder te kunnen lezen merkte hij dat het avond was geworden. Geschrokken sprong hij met een ruk van het bankje en keek verwilderd om zich heen. Het boek lag dichtgeslagen in zijn hand en zag er tevreden uit. Iets in hem zei dat hij het boekje maar beter met een grote boog in de ven kon gooien, maar dat kon hij niet over zijn hart verkrijgen. Hij trok zijn jas weer aan en hees zijn tas weer over zijn schouder. Nu liet het boekje zich wel in de tas opbergen. Snel liep hij verder want het begon nu echt donker te worden. Hij hoopte dat hij niet zou verdwalen, want in het donker zien alle paadjes er eender uit.

Bij de eerst volgende splitsing stond hij stil. Hij twijfelde in welke richting hij verder moest, maar toen voelde hij zijn tas naar links trekken. Het was het boekje dat het hem vertelde dat hij hier linksaf moest. Hij vertrouwde het boekje en sloeg linksaf. En zo gebeurde dat nog een aantal keren totdat hij de rand van het bos zag en in de verte de lichtjes van de bewoonde wereld zag. “Bedankt lief boekje”, zei hij hardop, “nu hou ik je voor altijd bij me”.

Vermoeid kwam hij eindelijk thuis aan. Hij at wat en maakte zich klaar om te gaan slapen, want hij was erg moe. Hij legde het boek op het nachtkastje. In het licht van de lamp leek de afbeelding van de zon op de kaft veel stralender te zijn dan hij in het bos had gezien. Wat een mysterieus boek. En terwijl hij er zo naar keek, voelde hij weer die drang om het weer open te slaan. Ach, hij kon nog wel eventjes gaan lezen voor dat hij ging slapen. Het boek sprong gretig open toen hij het op zijn schoot legde.

Drie uur later keek hij verschrikt op. Op de display van de wekker stond in rode cijfers dat het al ver na middernacht was. Zijn mond voelde droog en zijn handen waren klam en warm. Hij voelde weer hoe zijn aandacht weer naar de opengeslagen bladzijde van het boek werd gezogen, maar hij pakte iets dat als boekenlegger kon dienen, legde het in het boek en sloot het resoluut. Hij legde het boek op het nachtkastje, gaapte luid en zei: “Nu ga ik eerst slapen boekje, voordat mijn ogen verschrompelen”.

Toen hij de volgende ochtend al weer vroeg door zijn wekker werd gewekt, lag het boekje naast zijn kussen. De boekenlegger zat er niet meer tussen. Dat lag helemaal verkreukeld in de hoek van zijn slaapkamer. Het boekje zag er in het ochtendlicht erg mooi uit. Bijna nieuw. De zon op de kaft straalde hem warm tegemoet. “Lees me verder”, sprak het boek in zijn hoofd. Maar hij klopte alleen even zachtjes op het boekje en sprong vlug uit zijn bed. Het boekje liet hij bij zijn kussen liggen. Hij waste zich, kleedde zich aan, werkte snel een paar boterhammen naar binnen en vertrok naar zijn werk. Het boekje bleef teleurgesteld achter. De zon op de kaft verbleekte weer.

Die dag ging er op zijn werk van alles mis. Hij had ook veel te weinig slaap gehad. Ook dacht hij steeds aan het mysterieuze boek. Er kwam niet veel werk uit zijn handen die dag. Hij was blij toen de dag erop zat. Onderweg naar huis terug liep hij een paar oude maten tegen het lijf die hij al een tijdje niet meer had gesproken. Ze praatten wat met elkaar en spraken af om diezelfde avond in de kroeg verder te praten. Zo moe was hij nou ook weer niet. In de kroeg wilde hij het mysterieuze boek ter sprake brengen, maar iets weerhield hem.

Toen hij diep in de nacht thuis kwam en zijn slaapkamer in liep, zag hij het boek al in het donker liggen. “Waar bleef je zo lang!?”, klonk het verbeten in zijn hoofd. De zon op de kaft was vuurrood. “Sus sus sus.”, zei hij, “Ik heb de hele dag gewerkt en ben op stap geweest met mijn maten, maar ik heb steeds aan jou gedacht”. Hij pakte het boek zachtjes op en wilde het openen. Het boek verzette zich eerst en voelde stug aan, maar werd snel zachter en sloeg precies open waar hij gebleven was. De volgende ochtend werd hij wakker met het boek tegen zich aangeklemd. Het leek groter en dikker geworden te zijn. Het voelde warm aan en, ja, het leek wel of het ademde.

Vanaf dat moment nam hij het boek overal mee naartoe. Hij werd steeds meer door het boek in beslag genomen. Hij las en las en las. Tot hij op een dag merkte dat hij al een heel stuk van het boek gelezen had. Het boek werd weliswaar steeds dikker en zwaarder, maar stel dat hij het ineens uit had. Wat moest hij dan beginnen? Hij wist dat hij zonder dit boek stuurloos zou zijn. Bovendien wilde dit boek heel graag gelezen worden en zou het ongetwijfeld iemand anders gaan zoeken om te betoveren. Hij moest er niet aan denken dat iemand anders zijn geliefde boek zou gaan lezen.

Hij besefte ook dat hij verslingerd was aan het boek. Hij was er veel te afhankelijk van geworden en liet zich te veel door het boek sturen. Hij moest weer grip op zijn leven krijgen. Met een geweldige dosis wilskracht ging hij alleen nog op bepaalde tijden in het boek lezen. Hij putte de kracht daarvoor uit de angst dat hij het boek uit zou lezen. Uit de angst voor de leegte daarna. Zo kwam hij weer in controle van zijn eigen leven en dat voelde goed. Hij las steeds minder en minder en minder. Het boek werd kleiner. De zon verbleekte tot het bijna niet meer zichtbaar was.

Op een dag zag hij een klein, grauw boekje onder het bed liggen. Hij pakte het op en blies het stof eraf. Het voelde kil en stug aan. Het kraakte gevaarlijk toen hij het probeerde te openen. Hij had het al jaren niet meer gelezen. Hij wist nog wel vaag waar het over ging. “Hee boekje”, zei hij, “waar was ik ook al weer gebleven?” en hij trok het boekje open. Maar het boekje sloeg slechts met een doffe klap dicht. Hij keek er meewarig naar.

Waarom wist hij niet, maar hij nam het boekje voor het eerst in jaren weer mee in zijn tas. Het boekje stribbelde niet tegen. Hij dacht glimlachend terug aan de eerste keer dat hij het boekje in zijn tas wilde steken. Die oude tas waarin hij het boekje mee naar huis had genomen had hij al lang niet meer. Hij hees zijn tas op zijn rug en sprong op zijn fiets. Onderweg naar wist hij nog steeds veel begon het licht te regenen en viel het boekje zonder dat hij het merkte uit zijn tas, op de grond. Het had hem uitgelezen.

Ik dump je voor een ander!

Morgen is het voor eens en voor altijd uit tussen ons. Het is nu genoeg geweest. Ik kom niet meer bij je terug. Nu echt niet meer. We gingen al eens eerder uit elkaar, maar niet van harte. De band die we in al die jaren hadden opgebouwd samen, was toch veel sterker dan ik dacht. Zelfs jij. Kortstondig had ik een ander. Veel mooier dan jij, dat wel, maar ik kwam toch weer bij jou terug. Die ander liet me barsten en jij ving me met open armen op.

Je was geen steek veranderd en dat had ik ook niet verwacht. Alles was bij jou bij het oude gebleven. En we gingen ook weer gewoon op de oude voet verder. Bij jou wist ik even weer waar ik aan toe was, want ik kende je al zo ontzettend lang. Toch was het nooit echte liefde tussen ons. Daarom was ik je ook niet trouw. Terwijl ik het met jou deed, deed ik het ook gewoon met anderen. Jij moedigde me zelfs aan om het ook met anderen te proberen. Daarom hoefde ik het ook niet achter je rug om te doen. Je hebt me altijd door dik en dun gesteund.

Natuurlijk gaf je er dikwijls de brui aan en moest ik vele blauwtjes verduren. Hoe vaak heb ik je gehaat als je me weer eens in de steek liet. Het gebeurde ook altijd op de meest vervelende momenten. Op momenten dat ik het eigenlijk niet kon hebben. Je liet plotseling een of ander cryptisch berichtje achter en vloog uit. En ik kon stikken. Alles waar we samen zo hard aan hadden gewerkt was voor niks geweest.

Wel kwam je steeds weer bij zinnen en stond je weer voor me klaar, alsof er niets was gebeurd. Je was er weer helemaal voor me. Je zette je ook ieder keer weer voor de volle honderd procent in om het leed dat je bij me had aangericht, te herstellen. Zo ben jij nou eenmaal en dat heb ik lang geleden geaccepteerd, maar nu wil ik toch echt verder. We hadden een sterke band jij en ik, maar ik ben nu echt helemaal klaar met je.

De waarheid is nou eenmaal dat je me op houdt. Ja, je bent een blok aan mijn been. Een trouw blok, maar een blok desalniettemin. Ik ben het vele wachten zat en zet je nu echt definitief aan de kant. Ik heb het lang genoeg uitgesteld, maar morgen is het dan eindelijk zo ver. Je wordt nu echt gedumpt voor een ander. Ik kan haast niet wachten. Daag XP, tot nooit weer ziens.

De verwarring

In het trappenhuis van de parkeergarage liep een oude vrouw me voor de voeten terwijl ik me van de 6e etage naar beneden probeerde te haasten. De vrouw leek bij iedere stap te moeten nadenken welke voet ze nu op de volgende trede ging zetten. Het ging op een nogal dood akkertje. Hoewel ik haast had, bleef ik toch maar geduldig.

Opeens draaide de vrouw haar gezicht naar me toe en keek me verbijsterd aan. Ze zei, op ietwat geërgerde toon: ” ’t Is hier toch wél licht hè meneer?”. Ik keek haar een beetje meewarig aan – althans, dat denk ik, maar ik kon mijn eigen gezicht natuurlijk niet zien – en opende en sloot mijn mond. De vrouw had haar gezicht al weer naar beneden gewend en strompelde maar weer verder naar beneden. Ik dacht: “Hoezo licht?” en: “Waarom toch wél?”. Ik begreep de hele vraag niet. Ik kon er ook alleen maar “ja” op antwoorden, want het trappenhuis baadde in zonlicht dat door grote ramen naar binnen viel. Wat wilde het mens toch van me met die vraag.

Toch moest ik iets terug zeggen. De vrouw was duidelijk een beetje in de war. Ineens vroeg ik me ook af of ze misschien hulp nodig had. Wat moest een oude, verwarde vrouw op de 6e etage van een parkeergarage? Oude verwarde mensen horen in verzorgingstehuizen. Misschien was deze mogelijk dementerende vrouw wel uit haar tehuis ontsnapt en in haar verwarde beleving naar haar werk gegaan. Ik moest dus iets doen. Even overwoog ik om terug naar boven te rennen om te kijken of haar verplegers daar misschien nog liepen te zoeken, maar ik kon deze mevrouw maar beter niet alleen laten.

Deze hele gedachtengang duurde hooguit 2 seconden, maar voelde heel weloverwogen aan en ik besloot om het enige juiste te doen. Ik ging mee in het verwarde wereldbeeld van de vrouw, opdat ik haar er misschien toe zou kunnen bewegen om naar het verzorgingstehuis terug te gaan of om op zijn minst mee naar het politiebureau te gaan. Dus ik zei: “Ja, het is hier wél licht ja”. De mevrouw draaide zich terstonds om en glimlachtte vriendelijk: “Nee, een lift! Weet u misschien waar de lift is, want naar beneden lopen gaat nog wel, maar naar boven niet hoor!”. Daar viel mijn hele analyse aan diggelen. Verdwaasd keek en wees ik vagelijk in de richting van de achterzijde van de parkeergarage. “Aan de achterkant, maar dat is een aardig eind lopen hoor”, mompelde ik. Hoofdschuddend vervolgde de vrouw haar moeizame afdaling. “Wat een verwarde vogel”, moet ze hebben gedacht.