verhaal

Wurzel (sprookje met een knipoog)

Net als de meeste mannen in het kleine stadje werkte Hans zich krom in de glasfabriek. Van het geld dat hij verdiende kon hij zich zelf en zijn lieve vrouw Grietje maar net onderhouden. Grietje was bovendien zwanger. Het kind dat in haar groeide maakte dat de maaltijden steeds minder toereikend werden. Hans wachtte iedere maaltijd tot Grietje verzadigd was en at dan zelf wat er nog over was. Dat werd iedere dag minder en minder.

Hans en Grietje woonden in een sober flatje met een heel klein balkonnetje dat uitkeek over het weelderige landgoed van Baron von Gönthel, eigenaar van zo’n beetje alles in het stadje, en zo dus ook de glasfabriek waar Hans werkte. De Baron was zeer machtig en werd door iedereen gevreesd vanwege zijn legendarische en duistere magische krachten waarvan men zei dat deze steeds van zoon tot zoon werden doorgegeven. Misschien was het een legende die de Baron zelf had gecreëerd, maar dat durfde niemand hardop te beweren. Uit angst voor zijn toorn.

De Baron was bitter en boosaardig, wat men weet aan het feit dat zijn vrouw hem enkel dochters had geschonken, en geen zoon. Zeven dochters in totaal. Ieder van hen bloedmooi, zoals hun moeder die na de geboorte van de zevende dochter plotseling aan een mysterieuze ziekte was overleden . En hoewel de dochters geen van allen de magische krachten van hun vader hadden geërfd, hadden ze allen wel zijn boosaardige en wrede karakter geërfd. Daarom zette de Baron ze in om zijn fabrieken te leiden. Ze genoten zijn volledige vertrouwen en voerden zijn wil uit met welliswaar prachtig gemanicuurde, maar ijzeren hand.

Op een avond, na het eten stond Grietje met een tergend rammelende maag op hun kleine balkonnetje, weemoedig te turen over de tuinen van de Baron. Heerlijke geuren dreven uit de tuin omhoog. Grietje snoof de geuren gretig op. Omdat ze zwanger was was haar reukvermogen sterk vergroot. De baby in haar buik wilde meer. Het had meer nodig om te groeien. Plotseling kreeg Grietje ontzettend veel zin in worteltjes. Ze rook zelfs de geur van worteltjes. Ze keek naar beneden en direct onder haar zag ze in de uitgestrekte landerijen van de Baron een veld vol met wortels. “Hans”, riep ze hees, “Hans, ik móet wortels eten of ik besterf het!”. 

Hans hield zielsveel van Grietje en wilde haar niet verliezen. Uit angst dat dat zou gebeuren besloot hij om diezelfde nacht nog worteltjes voor zijn vrouw te gaan plukken van het landgoed van de Baron. Het landgoed was omringd door hoge muren maar het lukte Hans om er overheen te klimmen via de weelderige wilde wingerds die tegen de muur groeiden. Hans plukte een handvol wortels en bracht ze naar Grietje die er een heerlijke hutspot van bereidde die ze gretig op at. Waar Hans al voor vreesde, smaakte het Grietje naar meer, en zo kwam het dat Hans iedere avond heimelijk over de muur van de Baron klauterde om worteltjes voor Grietje te stelen. Zijn angst om Grietje te verliezen was groter dan de angst voor de Baron.

Op een avond, toen Hans net een grote zak worteltjes had gerooid en hij net weer terug naar huis wilde gaan, hoorde hij naderende voetstappen. Snel rende hij weg, maar het was te laat. Voor hem doemde ineens de duistere gedaante van Baron von Gönthel op. Nu was het met hem gedaan, dacht Hans. Maar de Baron vroeg Hans slechts met rustige stem: “Beste man, waarom steel jij mijn heerljke worteltjes?”. En Hans legde uit dat hij ze nodig had voor zijn hoogzwangere vrouw, opdat ze niet dood zou gaan. Tot zijn verbazing keek de Baron hem vriendelijk aan en zei: “Een zeer goed doel voor mijn worteltjes. Neem daarom gerust zoveel als je nodig hebt. Je hebt mijn toestemming, maar….”, en plotseling begon het te waaien en de Baron vervolgde bijna fluisterend: “…maar op één voorwaarde!”. Bevend knikte Hans met zijn hoofd. “In ruil voor mijn wortels moeten jullie je kind aan mij afstaan als het wordt geboren. Ik zal voor hem zorgen als ware hij mijn bloedeigen zoon”. Hans knikte zwijgend en rende snel weg en hoopte dat de Baron het zou vergeten, maar de Baron riep hem na: “Denk eraan! Je eerstgeborene is van mij! Ik vergeet het niet”

Hans was al lang blij dat hij nog leefde en vertelde Grietje over zijn ontmoeting met de Baron. Grietje was erg geschrokken maar ze dacht dat de Baron, die het toch erg druk had, het wel zou vergeten. Maar de Baron vergat het niet. Op de dag van de geboorte klopte hij bij Hans en Grietje aan. “Ik kom mijn zoon halen en ik noem hem Wurzel”, zei hij. Grietje stierf van verdriet om het verlies van haar prachtige zoon. Wat er met Hans gebeurde weet niemand. De Baron hield zich wel aan zijn belofte dat hij Wurzel zou opvoeden als ware het zijn eigen zoon. Het ontbrak Wurzel aan niets en hij groeide uit tot een charismatische en sterke jongeman met een buitengewoon lange bos rode dreadlocks dat op zijn twaalfde al tot aan zijn enkels kwam. 

Wurzel respecteerde zijn machtige vader, maar hun karakters botsten. Wurzel was waarschijnlijk de enige in het stadje die de Baron durfde tegen te spreken. Wurzel was niet bang voor de Baron. Daarom sloot de Baron Wurzel op in een hoge toren met enkel één venster en geen deuren zodat Wurzel niet kon ontsnappen en niet met andere mensen kon praten. De toren stond  ver weg van het stadje, midden in een uitgestrekt woud. De enige met wie Wurzel mocht spreken was de Baron zelf die iedere ochtend aan de voet van de toren kwam staan om Wurzel voedsel en drank te brengen en riep dan: 

Wurzel! Gooi je stinkende rode dreadlocks naar beneden!

En Wurzel gooide zijn machtige trossen vette dreadlocks naar beneden en liet de Baron er langs naar boven klimmen. Zo had Wurzel tenminste nog enige aanspraak. Hij verachtte de Baron, maar hij was van de Baron afhankelijk. Wurzel bracht verder zijn tijd door met het bespelen van zijn Djembé, wat je van heinde en verre kon horen. 

Op een dag wandelde er een beeldschone prinses door het woud dat grensde aan het land van haar vader. Ze hoorde het geluid van Wurzel’s Djembé en merkte dat haar voeten begonnen te dansen op het opzwepende ritme. Nog nooit had ze zich zo heerlijk gevoeld. Ze moest de bespeler van de Djembé ontmoeten en daarom ging ze op zoek. Al snel ontdekte ze de hoge toren met het enkele raampje en zag Wurzel’s gespierde lijf in de opening ervan zitten. Ze werd op slag verliefd. 

De prinses probeerde die avond een ingang in de toren te vinden maar vond er geen. Maar op een dag zag ze de Baron naar de toren lopen. Hij zag niet dat de prinses hem volgde en bespiedde toen hij riep:

Wurzel! Gooi je stinkende rode dreadlocks naar beneden!

Zoals altijd deed Wurzel dat en de Baron kon naar boven klimmen. Diezelfde avond nog sloop de mooie prinses naar de voet van de toren en riep voorzichtig:

Wurzel! Gooi je stinkende rode dreadlocks naar beneden!

En jawel, daar vielen Wurzel’s geurende dreadlocks al naar beneden. Wurzel vroeg zich al af waarom de Baron voor een tweede keer kwam die dag en waarom zijn stem zo vreemd klonk. En zijn verbazing was kompleet toen er een beeldschone vrouw door het venster naarbinnen klom. Ook Wurzel was op slag verliefd. De prinses wilde hem ontvoeren, maar hoe kon Wurzel uit de toren ontsnappen? De prinses wist raad. Ze zou iedere dag een zakdoekje bij Wurzel achterlaten die hij dan aan elkaar moest naaien om er een parachute van te maken. Zo gezegd, zo gedaan. Vanaf die dag kwam de prinses iedere avond dansen op Wurzel’s opzwepende Djembémuziek en liet een zakdoekje bij hem achter. Het liep allemaal volgens plan. De parachute was al bijna klaar.

Maar op een dag, toen de Baron hem weer te eten kwam brengen versprak Wurzel zich toen hij vond dat de Baron toch wel erg zwaar aan zijn dreadlocks hing in vergelijking met de mooie prinses. Hij klaagde: “Ach Baron, hoe komt het dat u toch zoveel zwaarder aan mijn dreadlocks hangt dan mijn lieftallige prinses?”. De Baron was des Duivels toen hij dit hoorde. “Jij slechte jongen!”, briestte de Baron. Hij trok zijn grote kromzwaard en met één houw, hakte hij de gigantische trossen dreadlocks van Wurzel’s hoofd en sprak een duistere bezwering uit. Wurzel viel in slaap en werd wakker in een dorre woestijn, zonder eten of drinken.

De Baron knoopte Wurzel’s dreadlocks vast aan een haak onder het venster en wachtte de prinses op in de toren. Hij gooide ze naar beneden toen hij haar hoorde roepen:

Wurzel! Gooi je stinkende rode dreadlocks naar beneden!

De prinses klom haastig langs haar geliefde dreadlocks omhoog en kwam oog in oog te staan met de boosaardige Baron. “Je drummertje is gevlogen! Je ziet je mannetje nooit meer terug. “, gilde de Baron terwijl hij dreigend zwaaiend met zijn grote kromzwaard op haar af liep. Wanhopig dook de prinses uit het raam. Doornstruiken braken haar val maar bekrasten haar prachtige gezicht en staken in haar beide ogen zodat ze blind werd. Ze zwierf jarenlang, door niemand herkend rond tot ze op een dag terecht kwam in de dorre woestijn waar Wurzel had weten te overleven en waar hij een eenvoudige hut had gebouwd en zelfs een djembé had gemaakt.

Ze hoorde ineens een bekend ritme en haar voeten begonnen vanzelf ritmisch te bewegen in de richting van het geluid. Wurzel zag haar en herkende haar aan haar mooie voeten en haar prachtige dansbewegingen. Huilend van geluk rende hij naar haar toe en nam haar in zijn sterke armen. Toen zijn tranen op haar gezicht vielen genazen haar ogen en kon ze weer zien. Samen reisden ze naar het land van haar vader, trouwden en leefden nog lang en gelukkig. 

Einde

Hyperonopvallendheid

Het licht gaat uit en de rolluiken voor de winkelingang rollen met zacht gebrom naar beneden. Gerda legt de kleurstalen die de winkelbediende over haar schouder had gelegd opzij en staat op van de hippe tweezitter waar ze zich rond de middag op had neergevleid. Zelfs op dit knalroze bankje dat heel prominent en pal voor de ingang van de winkel staat, viel ze niet op. En dat is Gerda ten voeten uit: onopvallend. Nee, onopvallendheid is alleen nog maar het gebrek aan opvallendheid. Gerda is hyperonopvallend.

Gerda is zo onopvallend dat in haar aanwezigheid dingen die normaal niemand opvallen, ineens door iedereen gezien worden. Het verklaart onder andere dat het minieme weeffoutje in de bekleding van het bankje waar ze net van was opgestaan, tot ontsteltenis van de verkoper, door tientallen mensen onmiddelijk werd gespot. Ondanks haar lichtblauwe legging en haar okergele houtje-touwtje-jas had niemand Gerda opgemerkt. Ze veegt haar lange, sluike, peper-en-zout-haren naar achteren, zodat het niet meer voor haar ogen hangt en loopt naar de roltrappen.

Gerda krijgt er een enorme kick van om na sluitingstijd in verlaten winkelpanden te lopen. Het is het soort hobby dat je automatisch krijgt als je aan hyperonopvallendheid lijdt. Niemand belet haar. Ze doet het omdat ze het kan. Op blote voeten beklimt ze de metalen treden van de slapende roltrap. Op de verdieping waar ze nu uitkomt is het een stuk lichter, wat komt door de grote galerij met de gigantische glazen wand aan de voorzijde van de winkel. Gerda loopt naar de galerij en drukt haar neus tegen het glas. Beneden op straat is het uitgaansleven van de stad op gang aan het komen. Op het plein lopen overal mensen. Niemand ziet Gerda over de gallerij huppelen.

Niemand ziet Gerda klauteren in de grote klimboom in de apenkooi waar winkelende ouders hun kinders kunnen stallen terwijl zij zelf een nieuw interieurtje uitzoeken. Even later glijdt Gerda met een zacht gilletje van plezier naar beneden over de superglijbaan die door de halve winkel spiraalt. Ze landt met een hoop kabaal midden in de grote ballenbak. Proestend van het lachen komt ze weer boven ballen. Nog steeds grinnikend klimt ze weer uit de ballenbak en loopt weer naar het grote raam. Plotseling is haar vrolijkheid verdwenen. Niemand ziet haar daar staan. Niemand.

IJs voor de Koorts der Koortsen

De koorts der koortsen is weer uitgebroken, en het is blijkbaar besmettelijk. De koorts wordt verspreid via internet, kranten, radio en televisie. Maar weinigen zijn er tegen opgewassen. Het maakt niet uit hoe nuchter je bent, de koorts laat je niet koud. De strenge vorst stijgt ons naar het hoofd en maakt dat we hunkeren naar ouderwetse, oer-Hollandse taferelen. De Koorts vinden we eigenlijk best cool.

En hoezo Euro-crisis? De dikte en kwaliteit van het Friese ijs zijn nu veel belangrijker. Als er al ergens de crisis over is losgebarsten is het over het wel of niet ingeloot zijn voor deelname aan de Elfstedentocht. Koortsachtig poetst half Friesland het ijs op de route van de Tocht der Tochten schoon en wordt met blote nagels het aangekoekte sneeuw van het ijs gekrabd. De rest van Nederland ziet het machteloos aan vanaf hun banken en hangt aan de lippen van Gerrit Hiemstra voor hoopgevende ijsstatistieken. We snakken naar die Elfstedentocht, maar het ijs is nog te zwak. Het is ijscrisis!

Maar u bent niet machteloos! U kunt Nederland helpen aan de Elfstedentocht die het zo bitter nodig heeft. Er is een ijsinzamelingsactie gestart voor het verstevigen van de zwakke plekken en het dichten van de wakken. Zet daarom vanavond al het ijs op de stoep dat u kunt missen, zoals ijspegels, uitgebikte tuinvijvers, bevroren waterleidingen, ijsklontjes (maakt niet uit of ze al gebruikt zijn in de bacardi, whisky, vodka, bayley’s) of wat dan ook als het maar ijs is. Alle ijs is welkom: ijs voor de Koorts de Koortsen.

Post content

De blogger klapte zijn laptop open waardoor het ding met een schor piepje ontwaakte uit zijn sluimertoestand. Even later toonde het de blogger zijn meest gebruikte programma: een webbrowser dat hij had uitgedost met allerlei snufjes, waaronder een blogverwerker dat nog open stond. Het toonde een nog maagdelijke blogpost. Lege titel en ook het vlak onder “post content” was nog leeg.  

Lange tijd staarde hij eerst naar het nog lege, witte vlak. Zijn vingers beroerden zachtjes het toetsbord, alsof hij het voor het eerst in zijn leven aanraakte. De toetsen beantwoordden zijn streling met een zacht maar bemoedigend geratel. Hij drukte voorzichtig de shift-toets in, alsof hij bang was dat hij aan de andere kant van het web een orkaan zou veroorzaken. Weer staarde hij naar het nog immer blanke vlak. “Post content”, dacht de blogger verdwaasd.

Het lege vlak leek groter te worden deste langer hij ernaar staarde. Daarom klapte hij zijn laptop geirriteerd, met een klap dicht. Zuchtend gooide de blogger zijn laptop in de hoek van de bank en stond op om een kop koffie te tappen. Hij trok de pot met koffiepads open en keek er in. Er zat nog precies 1 pad in. De blogger stak zijn neus even in het blik en haalde het er vol afgrijzen weer uit. De pad rook naar een vochtige, bruine, papieren zak. Desondanks legde hij het toch in de senseo en liep even later met een kop heet slootwater terug naar de bank.

De blogger nam een slokje slootwater en probeerde smakkend de smaak van koffie te zoeken in zijn mond, maar hij had net zo goed een slok afwaswater kunnen nemen. Hij pakte zijn laptop maar weer en klapte het weer open. “Post content”, dacht de blogger weer, “post content…”. Die twee woorden bleven hem maar bezig houden. Hij typte het daarom maar eens in het titelvak. In het grote vak eronder schreef hij om te beginnen maar eens:

Wees een vent en schrijf dan in godsnaam maar iets over post content!!!! 

Vaak moest hij namelijk gewoon beginnen met schrijven. Het maakt niet uit wat. Gewoon beginnen en zien wat er uit zijn vingers zou komen. Wat er nu stond was natuurlijk wanstaltig, maar hij liet het toch staan. Om zichzelf uit te dagen. Hij zette de dialoog met zichzelf maar eens op scherp: “Wat een waardeloze eerste zin! En dan die belachelijke uitroeptekens! Kun je echt niet beter vandaag!?”. Als antwoord kreeg hij alleen wat gestamel en een geërgerde zucht. 

Nijdig zette de blogger, om zichzelf te ergeren, er nog 80 uitroeptekens bij en wenste toen dat hij de tekst ouderwets en woest uit de laptop kon trekken om het te kunnen verfrommelen en in een hoek te smijten. In plaats daarvan tilde hij zijn arm op en liet zijn vinger zwaar op de backspace landen. Letter voor letter vermoordde hij dit afstotelijke kind. Een belangrijke vaardigheid voor een schrijver: je aan je eigen hoofd ontsproten creaties kunnen ombrengen. Tevreden keek hij naar het resultaat: een leeg vlak. “Wis content”, dacht hij nu triomfantelijk. 

“Post content”, stond er nog steeds in de titel. “Ach!”, dacht de blogger ineens, en sloeg zich zo hard tegen zijn hoofd dat het gonsde. “Wat een bak!”, riep hij toen uit, “maar dáár zit wel een geinig stukje in!”. En toen schreef hij het hele voorval in één ruk van zich af, om er maar vanaf te zijn. Toen hij klaar was las de blogger zijn woorden nog eens door. Niet bepaald de sterren van de hemel geschreven, maar dit kind wilde hij wel een kansje geven, dus hij postte het zonder aarzeling naar zijn blog. “Post content!”, sprak de blogger tevreden en sloeg zich lachend op zijn knie.

Zemelhanen

Heeee, lang niet gezien! Hoe is het met jou?

Ach, de rug wordt toch minder hè, maar verder mag ik eigenlijk niet klagen. En jij?

Mwoch, afgezien van mijn knieën gaat ‘ie in principe best lekker.

Zo zo. Mooi hoor. Ach jij ook met je krakende knieën! … Hoorde je dat?

Wat?

Dat knak-knak-geluid. Dat zijn mijn onderste ruggewervels. Helemaal verrot joh.

Lachuh zeg! Doe nog es?

Wacht effe…oe…doet een tikkie zeer maar

Hahahaha!

Ja lach jij maar, het is anders geen pretje.

Ja, net als mijn piepende schouders. Dat is echt zo naar.

Laat es horen dan?

Let op…ai…aaah

Hihihihi, wat maf. Nou, jij kán ze tenminste nog zo draaien. Bij mij zit ’t helemaal op slot.

Dat ken ik maar al te goed. Heb ik een half jaar voor bij de fysio gelopen.

Ik loop er al bijna 2 jaar voor bij de haptonoom. Helpt allemaal niks.

Nee! Wat rot voor je. Nou, mijn nieuwe wagen met massagestoel is wel een uitkomst hoor. Kom ik heerlijk…eh redelijk los op mijn werk. Is ook wel iets voor jou misschien.

Ach, wees blij dat jij nog zélf kunt rijden. Ik heb tegenwoordig maar een chauffeur. Wordt overigens helemaal vergoed door de verzekering.

Zo zo, bofkont. Mijn verzekering wilde mijn aangepaste auto die ik toch echt nodig heb om nog enigszins te kunnen functioneren, niet vergoeden. Geen cent keerden ze uit. Ik moest er ons huis voor verkopen om niet failliet te gaan. We zijn er erg op achteruit gegaan.

Zo, daar word ik wel even stil van. Dat klinkt niet best.

Nee, ’t is nie best nee. We wonen nu noodgedwongen in een hutje op de hei. Krap 450 vierkante meter. Maar wel knus, dat wel.

Tjongejonge.

Nou, en ik ben ook nog eens hardstikke allergisch voor hei.

Daar kan ik over meepraten. Zie je deze vlekken?

Ziet er niet best uit. Uitslagje?

Uitslagje?? Nee joh, dat is afgestorven huid. Visallergie. Als ik nu ook maar vislucht ruik, krijg ik binnen 10 seconden een shock. Ik moest er mijn directeursfunctie voor opgeven.

Jij directeur? Goh. Waar dan?

Ik was directeur van een grote visafslag. Nu ben ik noodgedwongen directeur van een Zwitserse chocoladefabriek. Ik moest van de dokter naar Zwitserland verhuizen namelijk. Vanwege de schone, visluchtvrije lucht. Is ook best behelpen hoor.

Jaaa ja. Goh.

Oei, is het al zo laat. Ik moet rennen…als ik dat zou kunnen tenminste. Nou, het ga je goed hè. Hou je maar taai ouwe mopperkont.

Insgelijks! En hou jij je ook taai ouwe knorrepot.

Over de berg

In maart 2003 emigreerden mijn vrouw, zoontje van 8 maanden en ik naar Amerika. Om precies te zijn naar Baltimore in de staat Maryland. Als een berg had ik er tegen op gezien om te emigreren. Een onneembare bergkam was het eigenlijk. Met grillige toppen die ooit de krassen op de maan hadden gemaakt. Uit mezelf zou ik de reis nooit hebben gemaakt. Ik ben niet avontuurlijk van natuur. In tegenstelling tot mijn wederhelft ben ik een standvogel.

In 1998 trouwde ik met een blondine die de Quantumtheorie snapt. Ze bestudeert het universum voor haar beroep. Ze bouwt mee aan nieuwe instrumenten om dat beter te kunnen doen. Wetenschapper in hart en nieren en bepaald geen standvogel. Dankzij haar heb ik de Andes van dichtbij gezien. Dankzij haar versta ik Beiers. Dankzij haar ligt een deel van mijn hart in Zweden.

Lijkbleek bleek ik te zijn geweest toen we op Schiphol afscheid namen van familie en vrienden. The point of no return was al lang gepasseerd. Het huis en een groot deel van onze spullen was verkocht. Andere spullen die we niet kwijt wilden, gingen in de opslag. En een klein deel ging per boot naar ons nieuwe adres. Wijzelf namen het vliegtuig.

Acht uur later kwamen we aan op Dulles National Airport (Washington). Als kuddedieren werden we door de douane gedreven, weet ik nog. Erg druk was het niet, maar toch moesten we persé de door lintjes afgezette route lopen. Toen ik, brutale, assertieve Nederlander zijnde, tussen twee paaltjes door wilde stappen werd ik woest door de dienstdoende, en zijn taak zeer serieus nemende agent, op het pad teruggeblaft. Ik luisterde gedwee en zei “Sorry” in mijn beste Amerikaans.

Met een huurauto, een veel te stoere Ford Explorer 4×4, reden wij toen van Dulles naar ons eerste, tijdelijke adres in Balto, in de wijk Elkridge. Het was nog volop winter daar. Er lag nog veel sneeuw op het terrein van het appartmentencomplex waar we de eerste maanden zouden gaan wonen. Ons appartementje was volgepropt met ontzettend, typisch Amerikaanse, protserige huurmeubels. Op ons bed lagen belachelijk veel, belachelijk dikke kussens. Ik voelde me nog nooit zo slecht thuis. 

De eerste week bestond uit het vinden van onze draai en het regelen van dingen. Mijn vrouw regelde en ik zocht draaien. Alles was vreemd en ook weer niet. Wat ik het moeilijkst vond om aan te wennen was die oppervlakkigheid van de mensen daar. Amerikanen veinzen interesse voor je met overdreven “hi, how are you”. Ik weet nu dat je dat gewoon moet terug zeggen. Het betekent niks meer dan “hoi”. 

Aan de andere kant van die berg, die zo onneembaar leek, vonden we uiteindelijk best een fijne draai. Het was een heftige en leerzame tijd. Leerzaam in de zin van leren omgaan met ogenschijnlijke onmogelijkheden. Niks is onmogelijk, en anders is er altijd nog de trap-onder-je-kont-methode om uit je misère te komen. Ik leerde dat ook standvogels kunnen emigreren en nestjes kunnen bouwen in vreemde, verre landen. Het kwam allemaal best goed. 

Af en toe komt dat gevoel van totale bevreemding dat ik tijdens mijn eerste momenten in Amerika voelde, nog wel eens naar boven drijven. Vlinders fladderen rond in mijn buik. Vlinders van verwondering, verbazing en onzekerheid. Maar ook van de spanning van het onbekende. Een heerlijk gevoel eigenlijk. Het is een gevoel dat sterk lijkt op verliefdheid. Het is de beloning voor het overwinnen van angsten die onoverwinnelijk leken. Het is de beloning die je krijgt als je over jouw berg heen bent gekomen en ziet wat er achter ligt. 

Heren volgen geen instructies

Negen wijze heren kwamen bijelkaar om te praten over gewichtige zaken. Op de grote tafel in hun midden lag een klein kapitaal aan gadgets. Minstens 3 per persoon. Allemaal noodzakelijk natuurlijk, dat staat buiten kijf. Behendigd werd er uit de losse pols met de de diverse gizmos gejongleerd. Ikzelf arriveerde een chique half uurtje later. Met respect werd ik bij binnenkomst door de collega’s begroet. Argeloos slingerde ik mijn fonkelende leipad op tafel terwijl ik mijn leifoon achter mijn rug omhoog gooide, mijn jas over de leuning van de stoel hing, ging zitten en toen de telefoon in het borstzakje van mijn overhemd op ving. Allemaal in één vloeiende beweging. 

Die acrobatiek werd natuurlijk als volkomen normaal beschouwd. Dit werd ik geacht te kunnen en was ik op geselecteerd. De voorzitter knikte wel even goedkeurend, maar dat had er meer mee te maken dat ik was gearriveerd. Hij gaf aan een collega aan de andere kant het teken om de presentatie te starten. Daarop stond de beste man op en drukte op een knopje op een paneel aan de muur. Er rolde een projectiescherm uit het plafond en de projector aan het plafond boven de tafel kwam tot leven. Echter, de beoogde beelden verschenen niet op het grote scherm. De collega drukte nog eens op wat andere knoppen, maar dat leverde geen verbetering op.

De man keek hulpeloos naar zijn collega’s om: “Eh, hij doet ’t niet”. Verbijsterde blikken. Wat nu? “Misschien moet je de projector gewoon even uit en weer aan zetten en het nog eens proberen”, opperde iemand. Er werd meteen instemmend geknikt. Zo gezegd zo gedaan, maar zonder het beoogde effect. Het scherm bleef verstoken van beeld. De man bij het knoppenpaneel streek nerveus door zijn haar. Toen ging er een licht bij hem op. Zijn gezicht klaarde op, waarop de andere heren hoopvol opveerden. Maar toen verzuchtte hij: “Ach, dat werkt natuurlijk ook niet”. De heren zonken weer in. 

De voorzitter bracht verlossing: “Ik stel voor dat we dit moment even benutten voor een korte koffiepauze en dat iemand even contact opneemt met de technische dienst”. Het was natuurlijk evident dat de projector niet naar behoren werkte en dat er maar even iemand moest komen. De man die de twijfelachtige eer was toebedeeld het projectiesysteem te beteugelen werd verwachtingsvol door de voorzitter aangekeken. Hij maakte gehoorzaam twee lenige backflips en trok in één beweging zijn telefoon, koos het nummer van de technische dienst (welke uiteraard onder een sneltoets zat) terwijl hij via een dubbele salto in zijn stoel sprong. 

De andere heren wandelden één voor één, met soepele, nonchalante tred naar de coffee corner om zichzelf te voorzien van een ristretto, capuchino, machiato of een doodgewone, maar desalniettemin acceptabele espresso. Even later kwamen de heren, met koffiekopje in de ene hand en al twitterende met de telefoon in de andere hand, de zaal weer binnendruppelen. Er kon gelukkig worden gemeld dat de technische dienst met succes kon worden gecontacteerd. Alles was onder controle. Er werd meteen opgeluchter adem gehaald. 

De opluchting ging acuut over in verbazing toen er een klein, spichtig vrouwtje met een streng klein brilletje op haar neus in uniform de zaal binnentrippelde. Ze deed me sterk denken aan juffrouw Mier. In haar hand droeg ze een kaart met een overzichtelijk ogend lijstje. Klaarblijkelijk de bedieningsinstructies voor het projectiesysteem. Ze las de eerste instructie met luide stem voor: “aan de muur bevindt zich een bedieningspaneel…”. De heren wezen haar behulpzaam in de juiste richting. “Aha”, zei het mensje en las de volgende instructie voor: “Schakel de installatie in met de rode knop”. Knop werd ingedrukt en wederom kwam alles tot leven. En zo liep het mensje alle instructies één voor één af en geschiedde er een wonder: Op het scherm verscheen het door ons zo vurig gewenste beeld.

Enigzins geirriteerd haalde het mensje haar schouders op en keek ons meewarig aan. “Als je precies de instructies volgt, dan werkt het gewoon”, zegt ze. De heren, mijzelf incluis, keken van schaamte naar hun glimmende schoenen. “Eh, waar kunnen wij die instructies vinden”, werd binnensmonds door een van de heren gevraagd. “Die zou hier op de tafel moeten liggen. Kijk, daar ligt ‘ie”. En toen trippelde juffrouw Mier van de technische dienst weer de zaal uit: “Tot uw dienst heren, goedemiddag”. Met stomheid geslagen schoven de heren weer aan de vergadertafel aan, terug op hun plaats. Belangrijk turende naar het schermpje van het eerste gadget binnen handbereik hervonden de mannen weer hun waardigheid en kon er gelukkig fijn verder worden gegaan met de orde van de dag. 

Otto ontmoet Knarf

“Scheer je toch weg! Schele ouwe Knarf!”, zei Otto quasikwaad tegen ongetwijfeld de lelijkste kater ter wereld. Het nogal fors uit de kluiten gewassen beest heeft een gitzwarte zwarte vacht en opzich schitterende groenblauwe ogen, maar hij loenst als een te ver doorgefokte Siamees. Bovendien mist het mormel het grootste gedeelte van zijn linker oor en heeft het een groot litteken dwars over zijn neus. Dat liep hij ooit eens op toen hij een volwassen buizerdmannetje ving. De buizerd beet zijn oor eraf en zette zijn grote klauw in Knarf’s neus. Het litteken loopt door tot de rechterkant van zijn bek, waardoor hij die niet meer helemaal kan sluiten. Hierdoor lijkt het alsof Knarf een ongure, scheve grijns op zijn bek heeft. De buizerd smaakte erg lekker, weet Knarf nog.

Otto de magiër is de enige mens die Knarf verdraagt. Dat is volkomen wederzijds. Otto en Knarf begrijpen elkaar op een soort onderbewuste, instinctieve manier. Hun eerste ontmoeting was in wat Otto “thuis” noemt. Knarf, dat was overduidelijk zijn naam, lag heel vanzelfsprekend in Otto’s favoriete, luie en enige stoel toen Otto ’s avonds thuis kwam. Otto begreep meteen dat hij een nieuwe stoel moest gaan zoeken. Deze stoel had Knarf zich toegeëigend. Otto had zijn schouders maar opgehaald en keek ook niet op van de enorme ravage in de keuken. Overal bloedspatten en veren. In het midden lag een half opgevreten karkas van een grote roofvogel. Een kat met gevoel voor spektakel, dacht Otto, precies het huisdier dat bij hem paste. 

Otto zette alle deuren en ramen van zijn huis open en liep weer naar de keuken. Hij ging wijdbeens staan en zorgde dat de kater hem kon zien. Hij haakte zijn vingers in elkaar en duwde zijn handen naar buiten, palmen naar voren. Zijn vingers knakten. Theatraal zwaaide hij toen zijn armen op zij, vingers gespreid. Plotseling begon het hard te waaien buiten. En omdat de ramen open stonden waaide het ook in huis. Otto liet de wind tot stormkracht toenemen. Ramen en deuren klapperden. De wind gierde door het huis. Natte bladeren waaiden naar binnen en begonnen om Otto heen te wervelen. Ook de veren werden door de steeds sneller draaiende wervelwind opgepakt. Even later was Otto helemaal verdwenen in een wilde, draaiende gierende wolk van troep. Otto maakte zich nóg kwader en ontlaadde het in de om hem heen draaiende wolk. Het effect was spektaculair. Er schoten heuse bliksemschichten uit zijn wolk en het begon naar ozon te ruiken in huis.

“Knarf!”, bulderde Otto boven het gegier uit, “sleep dat vieze, stinkende karkas naar buiten of ik rooster je levend!”. Hierop tilde Knarf zijn dikke lelijke kop op en keek Otto met een oprechte blik van respect  aan, in ieder geval met zijn rechter oog. Kennelijk was het het waaihoofd dat daar in de keuken stond te tieren, menens. Toch wilde Knarf wel eens weten hóeveel menens precies. Dus hij stond langzaam op, draaide zich om en plofte weer neer. Zijn grote lelijke kop weer tussen de poten en gewoon verder slapen. Otto werd woest en met een gigantische knal en flits zapte hij gericht naar Knarf. Deze slaakte een kreet waar een krolse puma jaloers op zou zijn geweest. Met zo’n vuile blik van totale minachting die alleen katten kunnen produceren, sjokte Knarf naar het buizerdkarkas en nam het in zijn grote bek. Nonchelant, en schijnbaar zonder moeite liep Knarf met de halve buizerd in zijn bek, tegen Otto’s razende storm in, naar buiten. 

Otto liet de woedende wervelwind nog eens goed door zijn huis razen. Het pikte al het vuil, maar ook rondslingerende sokken en een stapel oude kranten op. Otto richtte de wervelwind door de voordeur naar buiten, de nacht in en liet het los. De wind om het huis nam weer af en de vuilwolk viel uiteen. De bladeren en buizerdveren dwarrelden rustig neer. In huis was geen vuiltje meer te bekennen. Otto liet zijn grote handen met een laatste harde klap op elkaar komen, waarop alle ramen en deuren in één klap dichtsloegen. Knarf lag al weer op zijn stoel te ronken en is sindsdien bij Otto blijven wonen. In de vacht op zijn rug liep een nog nasmeulende kale zigzag-lijn waar Otto’s bliksem hem had geraakt. Wat een beest.

Waarover ook al weer?

Op een rustige snelweg, gehypnotiseerd door de flitsende witte strepen en het gonsen van de banden van je auto, komen vaak creatieve ideeën naar boven. Ik droom dan tijdens het rijden een beetje bij. Niet weg natuurlijk, maar bij, bij volledige alertheid. Ik kan het ook niet tegenhouden. Autorijden op een rustige snelweg is heel monotoon, dus dan beginnen allerlei gedachten naar boven te drijven. Aan de oppervlakte kabbelen ze prettig door mijn hoofd. Ineens drijven twee gedachten die elkaar nog nooit hadden gezien naast elkaar en vermengen zich. Er ontstaat een nieuw golfpatroon en dan ineens heb je dus zo’n aha-moment.

Dit moet ik onthouden, denk ik bij mezelf. Daar zit wel een leuke verwoede noot in, denk ik dan ook. Op zo’n moment moet ik eigenlijk de eerste de beste P in rijden en het idee ter plekke neerpennen, maar dat doe ik natuurlijk nooit. Altijd weer stel ik een veel te groot vertrouwen in mijn geheugen. Bijna altijd stel ik mezelf dan later enorm teleur. Het idee is dan al weer hopeloos opgelost in de maalstroom van alle dagelijkse beslommeringen. Hoe suf ik me ook peins, ik kan me alleen nog herinneren dat ik een briljant idee had voor een verhaal. Maar waarover ook al weer?