verkeer

Ottoshopping

Brugwachter Janus heeft zomerdienst, en begint zijn werkdag rustig met een kop koffie en een krantje. Het is nog hartstikke vroeg. Maar hij zit nog maar net of hij krijgt een whatsappje van zijn collega verderop: “Werk aan de winkel Janus! Er komen 9 schuiten jouw kant op. Over 10 minuten zijn ze bij jouw eerste brug”. Hij stapt dus snel op de elektrische scooter en zoeft naar de bewuste brug.

Maar bij de brug aangekomen ziet hij iets totaal bizars. Hij wrijft eens in zijn ogen, en concludeert dat hij blijkbaar slaapt en een vreemde droom moet hebben. Wat hij hier ziet kan eenvoudig niet! In plaats van over het kanaal ligt de brug over de weg. En over deze brug tuft zojuist een leuk recreatiejachtje met bloemetjesgordijntjes voor de raampjes. De grijze roerganger is zelf al even verbaasd als Janus.

Janus ziet in de verte nog meer schuitjes komen, maar dan klinkt plots een schor getoeter. Het is afkomstig van een aftands, roestig Golfje. De bestuurder draait zijn raampje open, en er verschijnt een woeste grijnzende kop met wenkbrauwen die lijken op grote harige rupsen. De rupsen springen op en neer, en ontmoeten elkaar voor een potje sumoworstelen in het midden boven een riante neus. De rare gast gebaart ongeduldig naar de brug en toetert nog eens.

Verdwaasd stapt Janus van zijn scooter en pakt zijn sleutelbos. Hij loopt naar het bedieningspaneel en haalt automatisch de benodigde sleutel erbij. Deze steekt hij in het contact, waarmee het ophaalsysteem wordt geactiveerd. “Ding-ding-ding-ding-ding-ding-ding…”, klinkt het. Janus ziet tot zijn verbazing dat de slagbomen neer gaan, over het kanaal heen. De schuiten moeten op de rem, als ze die zouden hebben tenminste. Met veel kunst en vaarwerk weten ze tot stilstand te komen voor de slagboom die hen de vaarweg verspert. Er ontstaat zowaar een kleine file op het water.

Dan drukt Janus op de knop waarmee de brug normaal gesproken opgehaald zou moeten worden, en wis en waarachtig, de brug scharniert gestaag, zoals altijd, omhoog. Natuurlijk blijft het water gewoon aan het brugdek kleven. Onmogelijk, dus Janus weet zeker dat hij droomt. Uit Janus’ broekzak klinkt weer een bliepje, waarop hij zijn telefoon tevoorschijn haalt. Nog een whatsappje van zijn collega verderop: “Wat een drukte op het kanaal. Heb net weer 7 schuiten doorgelaten en er komen er al weer een stuk of 8 aan”. Janus maakt snel een foto van de openstaande brug en de lange rij wachtende schuiten achter de slagboom en stuurt deze naar zijn collega met de tekst: “Hou die 8 nog maar even tegen, want hier gebeuren hele vreemde dingen”.

Intussen start Otto de Magiër de motor van zijn lelijke Golfje, zet hem met een hoop gekraak in de eerste versnelling en rijdt grinnikend onder de geopende brug door. Aan de andere kant van het kanaal, stopt hij even om te kijken hoe de brug weer netjes dicht gaat, en even later de plezierschuitjes één voor één over de brug varen. Otto is uiteraard erg met zichzelf ingenomen. “Een strak staaltje Ottoshopping weer, al zeg ik het zelf!”, zegt ‘ie, en rijdt dan verder. Als hij de bocht om is, knipt ‘ie met zijn vingers, en alles is weer zoals het altijd was. Alleen die foto op Whatsapp niet, maar wat ze toch allemaal niet kunnen met Photoshop…

Advertenties

Otto en de lompe stier

Op een smal landweggetje rijdt met een rustig gangetje, een roestig Golfje, bouwjaar 1978. Ooit was het waarschijnlijk wit, maar dat is bijna niet meer te zien. Hier en daar zitten gaten in de carrosserie, en de achterbumper hangt scheef. De auto ziet eruit alsof het rijp is voor de sloop. De motor pruttelt en blaast af en toe hoestend een wolk zwarte rook uit de uitlaat. De motor is eigenlijk op sterven na dood. Dat het ding nog rijdt is een waar mirakel.

Achter het stuur zit een 2 meter lange magiër genaamd Otto. En de haastige bestuurder van een veel nieuwere Golf achter  Otto maakt de grote vergissing om te proberen om Otto op te jagen. Dit doet hij door dicht achterop Otto’s bumper te rijden en heen en weer te slingeren. Otto trapt resoluut op de rem. De bestuurder van de andere auto moet uitwijken en belandt daardoor met zijn auto half in de sloot.

Vloekend en tierend klimt de man – type lompe stier – uit zijn auto en beent op Otto af, die nog bezig is om zijn gordel los te maken. Woest rukt de boze man de deur van Otto open, met als gevolg dat de hele deur afbreekt. De man kijkt er even verbaasd naar, maar smijt de deur dan maar op de grond. Intussen vouwt Otto zich bedaard achter zijn stuur vandaan en staat even later tegenover het boze mannetje dat ruim 2 koppen kleiner is dan Otto. Het stiertje kijkt woedend naar hem op.

Otto duwt het rund eenvoudig opzij en kijkt met één oog door zijn duim en wijsvinger die hij vlakbij bij zijn oog heeft naar de andere auto. En terwijl hij door zijn duim en wijsvinger blijft turen, pakt Otto de auto simpelweg met zijn duim en wijsvinger vast, tilt het met gemak uit de sloot en zet het behoedzaam achter zijn eigen auto weer op de weg. Hij gaat tussen de twee auto’s in staan en knipt tegelijk met de vingers van zijn beide handen. Zowel de motorkap van zijn eigen auto, als die van de andere auto springen braaf open.

“Hee, wat ga je doen!?”,  vraagt het stiertje waarvan de boosheid intussen is omgeslagen in verbazing. “Ssssst!”, sist Otto en sluit zijn ogen. Hij mompelt iets dat klinkt als “zabbazabbajaja,zabbazabbajaja zabbazabbazap” en klapt plotseling zijn grote handen hard op elkaar. De motoren van beide auto’s starten en klinken alsof er iemand steeds  de gaspedalen van de auto’s intrapt en weer loslaat.  De motor van Otto’s eigen auto pruttelt en rochelt terwijl er vette wolken zwarte rook uit de uitlaat komen. De andere, veel jongere motor klinkt veel gezonder.

Otto staat, nog steeds met de ogen gesloten, tussen de twee auto’s in, met zijn linker handpalm naar zijn eigen auto gericht, en zijn rechter handpalm naar de andere. En dan, in één snelle beweging, zwaait hij zijn linkerhand boven zijn hoofd naar rechts, en zijn linker hand voor zijn buik naar rechts. Vanonder beide motorkappen komt op het zelfde moment een felle flits. Beide motoren draaien nog steeds, maar nu komt het gepruttel en gerochel uit de moderne Golf, evenals de zwarte rook.

Otto wrijft in zijn grote handen en wil weer in zijn auto stappen, maar bedenkt zich. Hij loopt terug naar de andere auto en rukt het bestuurdersportier eraf. Deze neemt hij mee naar zijn eigen ouwe Golfje en bekijkt of het op zijn auto past. Het is ruim 10 centimeter te breed, en past eigenlijk niet.  Otto geeft de deur dan maar aan het lompe stiertje, die het verbouwereerd aanneemt. “Wa-wa-wa,  hoe-hoe-hoe?”, stamelt deze. Maar Otto geeft geen antwoord.

Rustig pakt Otto zijn eigen deur op en houdt het op een paar centimeter afstand van zijn auto, en laat het los. Alsof het door een sterke magneet werd aangetrokken, klikt de deur weer vast. Tevreden opent Otto vervolgens zijn deur en stapt behoedzaam achter zijn stuur. Hij draait zijn raampje open en zegt: “bedankt voor de motor, die van mij was al wat op leeftijd en lekte olie. Hij draait niet heel best meer, maar je komt er waarschijnlijk nog wel mee thuis hoor!” En dan scheurt Otto er met piepende banden vandoor. De arme stier kijkt hem, door het raampje van het portier dat hij in zijn handen heeft, met trillend onderlipje na.

Tegenzitter

Schepen liggen tegen. Dat klopt ook, want schepen liggen in het water. Bezien vanuit een stuurhut, ligt een tegenliggend schip met de boeg in jouw richting. Het woord tegenligger komt uit de scheepvaart en is in onze taal blijven steken. Dat is allemaal leuk en aardig, maar het is niet logisch.

Wij noemen fietsers die in tegengestelde richting fietsen ook “tegenliggers”. Fietsen liggen niet als ze bereden worden. De fietser zelf soms wel, als het een ligfiets betreft. Daar zit dan ook de verwarring. Bij auto’s doen we precies hetzelfde. Het is een warboel.

En als we “tegenligger” zeggen, hebben we het toch eigenlijk over het gedrag van de bestuurder van het voertuig? Een voertuig zelf zit of ligt niet. Ja, wegligging is dan wel een belangrijke eigenschap is van een auto. Maar fietsen hebben geen wegligging. Dat is allemaal verwarrend. Ik wil zo graag duidelijkheid. Een fietser zit op het zadel van de fiets. Ook op een ligfiets is er eigenlijk ook sprake van een zithouding, ook al is het een lage. En ook automobilisten, buschauffeurs en truckchauffeurs zitten achter het stuur.

Dus ik wilde voorstellen om als tegenhanger van de maritieme tegenligger in het verkeer voortaan de term tegenzitter te bezigen. Iedereen voor?

Suv gedrag

Voor mensen met zo’n dikke, vette SUV onder hun kont, gelden blijkbaar andere verkeersregels. De voorrangsregels worden bijvoorbeeld gehanteerd vanuit het principe: “mijn auto heeft een veel te lange remweg vanwege het overgewicht, dus ik rem liever niet als het niet echt nodig is”. En op de snelweg schijnen ze met hun vadsige koplampen zo lekker fijn precies in je spiegels als ze aan je bumper kleven.

Bij het parkeren blijkt de vetzucht helemaal duidelijk: ze hebben meestal niet genoeg aan 1 parkeerplaats. Net als dikke mensen in de bus twee stoelen nodig hebben, hebben SUV’s twee P’s nodig. Dit autobesitas is een groeiend probleem voor de maatschappij. Deze vette wagens nodigen uit tot ongezond gedrag bij de berijder en hinderlijk en gevaarlijk gedrag voor medeweggebruikers. 

Eigenlijk is er maar één oplossing: wagenverkleining. Het valt me trouwens ook op dat de berijders van SUV’s opvallend vaak ook nogal overgewichtig zijn. Zouden SUV’s dan extra brede stoelen hebben? Ik vermoed van wel. En de achterbank is natuurlijk vierzits voor hun twee kinderen… Voor een succesvolle wagenverkleining dienen de be- en bijrijders dus waarschijnlijk eerst op dieet te moeten. Ik zie de speciale aanbiedingen al bij de autofabrikanten die hierop slim gaan inspelen: Ruil je SUV in voor een nieuwe Toyota Yaris, en krijg een gratis maagverkleining!

Oh Mark, wat grof. Sorry, ik kon vanochtend mijn eigen bescheiden auto niet parkeren bij de AH omdat er zo’n dikke. asociale, vette SUV op twee P’s stond! En scheef bovendien! Zo, dat is er uit. 

Autopathie

Vanochtend liet de auto me in de steek. Ik kon het de auto eigenlijk ook niet kwalijk nemen, want ik hou nauwelijks rekenschap met weersomstandigheden als het gaat om het gebruik van de auto. Het ding mot rije als ik het wil potverdorie! Aan de andere kant moet de auto ook niet zo miezerig doen, want hij wordt goed onderhouden. Ik ga bijna voor ieder onbekend bibbertje of bijgeluidje naar de garage en laat netjes alle beurten doen. 

Maar toch liet de wagen me barsten vandaag. Hij startte slecht en sloeg onder het rijden telkens af. Dus ik schopte tegen de band en dreigde eens flink met de schroothoop. Dat hielp eventjes. Hij startte weer, al was het met enorme tegenzin, en het wilde alleen nog draaiende blijven boven de 3000 toeren. Ik aaide liefdevol over zijn stuurtje en stelde hem gerust dat alles goed zou komen, want ik zou hem naar de garage brengen.

Onderweg naar de garage sloeg de motor niet één keer af. Hij deed ontzettend zijn best om me niet teveel teleur te stellen. Mijn schroothoop-dreiging was harder aangekomen dan ik bedoelde. En toen ik in de leenauto wegreed van de garage, keek ik nog even bezorgd achterom naar mijn zorgenkind. Moedig wachtte het daar zijn operatie af. Even overwoog ik om te blijven en zijn buitenspiegeltje vast te houden tijdens de operatie, maar dat leek me nogal behoorlijk belachelijk, bovendien moest ik werken.    

En zoëven belde ik de garage eens op om te horen hoe het met de auto ging. “Nou, het is allemaal weer prima en uw auto heeft de operatie dapper doorstaan hoor meneer. Hij heeft een viervoudige bougietransplantatie ondergaan en we hebben zijn motortemperatuursensor vervangen. Hij is weer helemaal in orde meneer”. Dat was goed nieuws! Ik ging de auto meteen halen. En even later reed ik weer fijn in een goed gemutste auto die weer helemaal zichzelf was, weer naar huis. Het gaf geen enkele blijk van ongenoegen over mijn afschuwelijke verwensingen die ik in de ochtend had gemaakt. Net zo trouw als een hond. En hij kan er toch ook niks aan kan doen dat hij van Franse makelij is, toch? Ja, ik probeer me gewoon in die auto te verplaatsen. 

De onvermijdelijke komst van de pervers perfecte iCar

Mijn vrouw heeft zo’n over priced stuk Apple. Een macbook of zoiets. Mag ze natuurlijk helemaal zelf weten. Het is alleen buitengewoon irritant hoe vanzelfsprekend goed alles op dat ding werkt. Het verklaart ook de zelfingenomenheid van de mensen die het bij hun macs en andere Apple-electronica zweren. Tuurlijk werkt het perfect.

Apple drijft hun perfectie door tot op het boosaardige. Als zij vinden dat de volgende iPhone perfecter wordt met een nieuw type connector, dan komt er een nieuwe connector. En zo mogen dan alle leveranciers van accessoires waarop je je iPhone kunt aansluiten, een nieuwe versie gaan produceren. Ze zullen wel moeten. Gebruikers van Apple-technologie verbazen zich openlijk over de mensen die genoegen nemen met inferieure technologie. Hoofdschuddend kijken ze toe hoe we worstelen met onze zielige, onbetrouwbare apparaatjes en vragen dan: “waarom koop je dan ook geen échte laptop?”.

Berijders van auto’s die zijn ontworpen voor perfecte wegligging en rijgedrag, meestal Mercedes, BMW of Audi, gedragen zich trouwens op een manier die vergelijkbaar is met de pedante nuffigheid van de Applefielen. Vanzelfsprekend soepel zoeven ze over het asfalt. Vol vertrouwen in de veiligheid en stabiliteit van hun onfeilbare bolide rijden ze met onverminderde snelheid door en geven ze zelfs flink gas bij waar veel lagere adviessnelheden op de borden staan. Die borden zijn niet voor hen, maar voor al die nietige berijders van inferieure auto’s. En op feestjes en zo vragen ze zogenaamd lollig bedoeld: “wil je eens in een échte auto rijden?”

Het is dus een kwestie van tijd voor Apple met een eigen auto op de markt komt. Het krijgt de fantasieloze naam “iCar” en er zal een belachelijke run op komen. Natuurlijk rijdt het op een afwijkende brandstof waarop het perfect en pedant zuinig rijdt, waardoor er speciale pompen moeten worden bijgeplaatst op alle tankstations. Ik zie ze al voor me, die zelfingenomen smoelen van die iCar-rijders als ze de brandstofslang eenvoudig vastklikken aan de ook al afwijkende maar perfecte opening van de brandstoftank van hun iCar. Achteloos vanzelfsprekend houden ze hun iPhone even tegen de zijkant van de pomp, en de iCar wordt in luttele seconden zonder morsen volgetankt en ze kunnen meteen doorrijden, want de brandstof is ook gelijk al betaald. Perverse perfectie!

Betoeterd

Vanochtend werd ik dus even helemaal betoeterd. Ik stond keurig te wachten voor de haaientanden bij een T-splitsing om linksaf te gaan. De automobilist die van links kwam trapte pardoes op de rem waardoor het autootje wild bokte. Woest gebarend en dus ook driftig toeterende reed de blijkbaar geschrokken automobilist stapvoets en met een overdreven boogje voor mij langs. Alsof ik met de neus van mijn auto half over zijn weghelf stond. Ik stond wel pal op de haaientanden, maar dus NIET op zijn stomme weghelft.

Mij van geen kwaad bewust zijnde, maakte ik dus het universele gebaar voor “ik heb geen flauw idee wat je bedoelt, wat stel je je toch aan man!”: beide handen met de palmen geopend omhoog en mijn hoofd schuddende. Ik kreeg daarop het universele gebaar voor “LLLLLLOOSER!!”: rechterhand voor zijn lelijke rotkop met duim opzij en wijsvinger omhoog. Was t ‘ie nou helemaal betoeterd zeg! 

En toen ik mijn deur open deed om eens te kijken hoe ver ik dan wel over de haaientanden stond met mijn neus, werd ik dus ook van achteren betoeterd. Maar deze keer, toegegeven, wel terecht. Ik maakt dus het universele gebaar voor “ja, ja, ja, ik ga al, tjongejonge wat een haast zeg”: hoofdschuddend met loeiende motor wegscheuren. Dat zal ze leren mij een beetje te betoeteren zeg.  

Ver van huis

Als jonge student liep ik ooit een half jaartje stage in Amsterdam. Ik woonde nog bij mijn ouders. In de weekenden ging ik naar huis. Meestal op vrijdagavond al. Zo ook deze avond. Ik sta bij de Keizersgracht te wachten op de tram naar Amsterdam Centraal. Het is winter en het is al vroeg donker. De tram is laat. Ik sta er al een kwartier te vernikkelen van de kou. Ik sta er ook helemaal alleen. Links uit de straat klinken plots voetstappen. Ik kijk even opzij. Een verlopen typ met lange jas zwalkt in mijn richting. Ik ben meteen op mijn hoede.

De ongure griezel komt naast me staan. Hij riekt verschrikkelijk. De kerel slaakt een gespeeld geërgerde zucht en zijn adem beslaat. De wolk waait langs mijn gezicht. De stank uit zijn vieze, ongeschoren muil maakt me misselijk.”Ga maar mee naar de nutsbank”, zegt hij dan met een grijns die me op me mijn gemak moet stellen of zo, maar het werkt averechts, “hier komt geen tram meer vanavond”.

Nutsbank? Wat nou nutsbank? Ik kijk hem, hopelijk koelbloedig – en op dat moment voelt mijn bloed eigenlijk ook ijskoud – aan, en zeg met geknepen stem zo kalm als ik kan: “Ach jawel joh. Hij kan elk moment komen”. Ik wijs in de richting waar hij vandaan moet komen. Dan trekt de kerel een enorm mes onder zijn jas vandaan en begint met de punt ervan zijn vuile nagels schoon te maken, “Ik zou er maar niet van uitgaan”, zegt hij, nu gemeen grijnzend. Koud zweet breekt me uit op mijn rug.

Ik begin rustig weg te lopen. In de richting van de tramhalte aan de overkant. Daar komt zojuist en groepje mensen naartoe gelopen. De tram de andere kant op zie ik in de verte al aan komen rijden. Ik versnel mijn pas. Ik hoor voetstappen achter me. “Hee vriend, waar ga je nou naartoe?”, hoor ik achter me. Ik negeer hem en ren nu naar de overkant van de brede straat. Het groepje mensen bij de halte neemt me bevreemdend op. Maar dan komt de tram al. Ik stap er op en ga zitten. Mijn hart klopt in mijn keel, en het klamme zweet parelt van mijn rug. Ik kijk nog even achterom naar de halte waar ik net stond. Het ongure typ staat mijn tram na te staren. Ik rij de verkeerde kant op, maar ik leef nog.

Een vrouw kijkt bezorgd naar me en vraagt of ik me wel goed voel. “Ik ben net met een enorm mes bedreigd”, zeg ik met een stem die ik nauwelijks herken. Ze kijkt me geschrokken aan en vraag dan: “Waar moet je naartoe?”. “Naar centraal”, zeg ik met een belachelijk schor stemmetje. “O, blijf maar gewoon zitten, want deze tram rijdt heen en weer. Wil je dat ik bij je blijf?”. Ik haal eens diep adem en blaas het – pffffff – langzaam uit. Dan schud ik zachtjes van nee. Ze neemt me bezorgd op en zegt dan vastbesloten: “Nee hoor, ik laat je beter maar niet alleen”. Zorgzaam begeleidt ze me helemaal terug naar Amsterdam CS. Ik was haar oneindig dankbaar. Nog nooit voelde ik me zo ver van huis. Pas in mijn trein richting het veilige Noorden kon ik weer rustiger adem halen.

130 goed voor de staatskas

Altijd leuk om stellig te beginnen: hoe harder wij rijden hoe meer wij de staatskas spekken.

Hoe kom ik daar bij? Heel simpel (en toegegeven, ik heb het niet zelf bedacht): de gemiddelde auto verbruikt veel meer benzine bij snelheden boven de 100 kilometer per uur. Ik sloeg eens aan het googlen en kwam percentages tegen van 20% to 25% verschil in benzineverbruik tussen 100 km/uur rijden en 130 km/uur. Dat is aanzienlijk. Ik kan me nog herinneren dat de snelheidslimiet op onze snelwegen 100 km/uur was. Dat was in 1988. Toen was ik 18 en maakte ik me vooral nog druk over acne en examens en zo. Maar dat terzijde.

Naar het schijnt hebben wij in Nederland een dikke 5,5 miljoen benzinewagens, en 1 miljoen dieselwagens. Voor mijn stelling laat ik voor het gemak de dieseltjes maar even buiten het plaatje. Ik ga dus uit van 5.500.000 benzine verbruikende auto’s.

Nu zou ik willen weten hoeveel van die benzineverbruikers er op elk moment van een dag gemiddeld 130 km/uur rijdt. Dat is een lastige. Op veel snelwegen mag je na 19 uur en voor 6 uur 130. Op sommige stukken mag je altijd 130, maar kan dat door de drukte niet. Je zou dus ook nog het gemiddelde file-beeld moeten weten. De ANWB zou die statistieken moeten hebben of gaan verzamelen en moet mijn sommetje dan nog maar eens dunnetjes over doen. Ik moet het dus maar gaan gokken. Hier komt ‘ie:

Stel nou dat van al die 5,5 miljoen auto’s er op ieder willekeurig moment van de dag gemiddeld (!) 5000 in staat zijn om 130 km/uur te rijden. Dat is iets minder dan een tiende procent van het totale aantal benzine-auto’s in Nederland. Ik heb geen idee of dit realistisch is of niet, maar ik ga hier even mee verder voor mijn verdere berekening.

Dus op ieder moment (24×7) rijden er 5000 benzine-auto’s 130. Met z’n allen verbruiken zij dan dus tussen de 20 en 25 procent meer benzine dan wanneer ze 100 km/uur zouden rijden.

Ja, en hoeveel benzine verbruikt een gemiddelde benzinewagen dan bij 100 km/uur en bij 130 km/uur? Op deze discussie op autoweek.nl (ik weet het, er zijn betere bronnen, maar ik doe het er maar even mee) kwam ik het volgende tegen:

Het verbruik van een 65 pk 1.2 liter VW Polo (bj. 2004):

3.245 tpm bij 100 km/u, 4.220 tpm bij 130 km/u : Toename in toerental: 975 tpm.

Het verbruik van een 100 pk 1.6 liter ford focus (bj. 2005):

2.660 tpm bij 100 km/u, 3.460 tpm bij 130 km/u : Toename in toerental: 800 tpm
90km/u: +-7l/100 km
120km/u: +- 8.2l/100 km

Op een andere discussie op autoweek kwam ik ook nog dit tegen:

het verschil tussen 110 en 130 bedraagt zo’n 20% in meerverbruik, dus:
110 = +- 4.5l/100km
130 = +- 6l/100km

Ik sla dit alles maar even valsplat tot het volgende zodat ik er makkelijker mee kan rekenen: Bij 100 km/uur verbruikt de gemiddelde benzineauto 5 liter op 100 kilometer. Bij 130 km/uur komt dat 20% hoger te liggen: 6 liter per 100 kilometer.

Kortom: per 100 kilometer verbruik je dus 1 liter meer benzine bij 130 km/uur ten opzichte van dezelfde afstand afgelegd met 100 km/uur. Dit moet ik nog even ombuigen naar liters per uur. Bij constant 100 rijden verbruik je 5 liter per uur. Bij constant 130 rijden verbruik je per uur 1,3 x 6 liter benzine, dus 7,8 liter per uur.

Dus als ik 24 uur lang, 7 dagen in de week 130 kilometer per uur rij, dan verbruik ik 24 x 7 x 7,8 = 1340,4 liter benzine. Bij 100 km/uur zou ik dan maar 1008 liter benzine verbruiken. Een verschil van dik 332 liter. Gesteld dat er gemiddeld 5000 benzineauto’s 24×7 uur 130 rijden verbruiken die gezamenlijk per week 6.552.000 liter benzine. Als zij met z’n allen 100 zouden rijden verbruikten zij per week 5.040.000 liter benzine. Een verschil van dik anderhalf miljoen liter per week!

Op dit moment bedraagt de benzine-accijns 73 eurocent per liter. Dus even omgerekend zou de staat maar zo een slordige anderhalf miljoen keer 0,73 cent per week, dus een slordige 56 miljoen euro per jaar mis kunnen lopen als wij met zijn allen verstandig werden en geen streepje harder dan 100 km/uur gingen rijden. Nu ben ik zelf verre van verstandig, en de gemiddelde nederlandse wegmisbruiker met mij, dus met onze staatsschuld komt het allemaal vanzelf wel goed. Gelukkig.

(Let wel, mijn gegoochel met cijfers hierboven is natuurlijk ontzettend grof en je reinste Rijk-rekenarij. Bovendien heb ik het ook door niemand laten toetsen, maar het zet je toch aan het denken, nietwaar? Brand maar los…)

Schuitje varen, crisisje remmen

Zolang er wat te ergeren valt, valt er voor mij wat om over te bloggen. Dat is de pluskant. Nu de minkant.

Ik rij regelmatig langs de Drentse Hoofdvaart. Die is vergeven van de sluizen en bruggen. En ook van de plezierjachtjes met van die kijk-mij-nou-toch-eens-genieten-van-mijn-wel-verdiende-pensioen-grijsaards erop. Dit zijn de mensen uit de generatie die onze economie weer hebben opgebouwd na de oorlog. En ze zullen het snotverdorie ook weer helemaal opmaken ook! Asociale levensgenieters! Het zou maar zo kunnen dat de gezamenlijke waarde van al die plezierschuitjes ons begrotingstekort ruimschoots afdekt.

En alsof ze het ons ook nog eens even extra in willen wrijven hebben die suffe schuitjes ook nog eens voorrang op het wegverkeer. Zelfs in de spits. Dan mag je vanuit je auto, waarvan ik braaf om economische redenen de motor heb gestopt, gelaten toezien hoe je eigen dreigende pensioentekort tergend langzaam voorbij tuft. Ik haat ze!

In de kantine vanmiddag blies ik hierover al wat stoom af. Een bijna gepensioneerde haalde zijn schouders op en merkte op dat die luizenlevenslijders wel eens een remmende werking op de economische crisis zouden kunnen hebben. Zonder hun uitgavenpatroon zou de crisis immers nog wel eens veel erger kunnen zijn, zo redeneerde hij. Klink walgelijk logisch dus het zal wel waar zijn ook. Bah.