Zweden

Mijn overtallige regenboog

Jaren geleden (1999) stond ik met mijn oude Yashica FR I (0,0 megapixels) op het juiste moment op de juiste plek. Mijn vrouw en ik hadden ons vanwege de alsmaar aanhoudende regen verschanst in een huisje in Oltjärn (Zweden, bij Hedeviken). Het was rond een uur of 9 in de avond dacht ik, en het regenen hield eindelijk op. De zon kwam plots achter de wolken vandaan en bescheen de wegtrekkende bui. Als afscheidscadeautje kregen wij toen deze prachtige overtallige regenboog voorgeschoteld (zie foto hierboven). En ik stond dus klaar met mijn ouwe camera. Ik had er een polarisatiefilter op gedraaid waardoor ik de regenboog perfect kon vastleggen op de diafilm. 

Later kwam mijn foto via een collega van mijn vrouw in de kringen van de meteorologen en kreeg ik het verzoek of mijn plaatje mocht worden gebruikt voor wetenschappelijke doeleinden. Ik stemde meteen in onder de voorwaarde dat mijn naam erbij werd vermeld. In Duitsland (waar ik toendertijd woonde) werd in het jaar nadat ik de foto had genomen zelfs een boekje over weerverschijnselen uitgebracht waarin mijn foto werd gebruikt. En mijn foto werd gepubliceerd in een Deens meteorologisch vakblad. Van beide kreeg ik een exemplaar, die ik nu ik dit schrijf even nergens meer kan vinden. Ze liggen beslist in een oude doos ergens op zolder, niet ver van mijn oude Yashica.

Ik was mijn regenboog al weer haast vergeten tot ik hem zomaar tegenkwam op Pinterest in een heus virtueel regenbogenmuseum. Mijn regenboog, in een museum! Terwijl ik de virtuele traan wegpinkte bedacht ik me dat dat moment waarop ik vol ontzag dit wondertje van de natuur aanschouwde, dus nu virtueel door de hele wereld kan worden herbeleefd. Toch leuk.

Advertenties

Een bewogen jaar

Probeer maar eens een foto te maken van het hele jaar. Geheid dat ‘ie bewogen is. Een vage, streperige plaat leg je dan vast. Vaak zijn maar enkele zaken scherp op die foto. En dat is heel normaal. Dat zijn de dingen van het jaar die je aandacht hadden en die je van dat jaar het beste zullen bijblijven.

Ook mijn 2013 zit vol vage strepen, de kleur wit overheerst. Door alles heen zie ik ook aardig wat groen met rode vegen en witte strepen (voetbalveld, het rood – VV-Dwingeloo – van de tenue-tjes van het juniorteam waarin onze zoon speelt). En deze zaken zie ik er scherp op staan (in chronologische volgorde):

stapels verhuisdozen

een slappe vaatdoek (een hondsberoerde ikke)

de Beierse vlag, de Allianz Arena en Schweinehaxe mit Semmelknödeln

de archipel van Stockholm, gezien over het roer (waar ik aan draai) van een zeiljacht terwijl de zon op mijn gezicht schijnt (een waar hoogtepunt, hier kan weinig aan tippen).

diepblauwe zonnepannelen op ons dak

klusjesmannen (van één zolder twee slaapkamers maken)

witte verf, heeel veel witte verf (het zijn twee flinke slaapkamers geworden)

Zweedse Rotfärg  – die typische rode verf van Zweedse huizen en gebouwen, gemaakt van een bijproduct uit een Zweedse kopermijn in Falun die we tijdens onze vakantie, op de verjaardag van onze oudste zoon, bezochten.

Donkerbruine aarde, heeel veel bruine aarde (het pimpen van onze tuin: ik deed het grondwerk, de tuinman de inrichting en bestrating)

Het jaar is nog niet helemaal voorbij, dus de foto is nog niet af, maar ik vind het nu al prachtig. Ik wens iedereen alvast een heel bewogen 2014!

 

 

Gestrand in niemandsland

Met mijn laptop op mijn knieën zit ik op Arlanda Airport te wachten op mijn vlucht naar Luleå. Mijn billen lijken wel van blik. De stoelen in de vertrekhal zijn niet gemaakt voor de lange zit. Na een tijdje wil de stoel dat je oprot. Toch zit ik er al ruim een uur in. Ik verdrijf de tijd met het prachtige boek “Italiaanse Schoenen” van Henning Mankell dat ik op Schiphol, na de douane in een opwelling nog even snel heb gekocht. Onderweg naar Stockholm was ik er al in begonnen te lezen en het verhaal pakte me onmiddelijk. 

Het verhaal speelt zich voor een belangrijk gedeelte af in Härjedalen, een prachtige Zweedse provincie. Dezelfde provincie waar mijn gezin en ik pertinent iedere zomervakantie naartoe moeten. Ja, moeten. Het is er zo mooi dat je er nooit genoeg van krijgt. Mankell’s aangrijpende boek speelt er zich af in de bittere winter en is vervuld van bitterheid, eenzaamheid en de dood. Het pakt me deste sterker omdat ik het landschap waar het zich afspeelt zo duidelijk voor me kan zien, alleen dan in het wit. Ik zie het eigenlijk altijd in het groen. Zo’n scherp contrast: groen tegen wit, leven tegen dood, warm tegen koud.

Mankell heeft het in het boek over een bosven dat zo zwart is als inkt. Het lijkt geen bodem te hebben en alles dat erin leeft moet zelf ook zwart zijn, zo schrijft hij. In zijn typische stijl van korte zinnen met eenvoudige woorden maar vol betekenis. Elke zin is precies afgemeten. Hij inspireert me. Ik neem me voor om de bosven op te zoeken in de volgende vakantie. Het ligt aan het einde van een houthakkersweggetje in de buurt van een berg met de prachtige naam: Aftonlöten. Alleen al vanwege de naam van de berg wil ik er heen. 

Ik ben nu op zakenreis naar Luleå, maar ik ben blijven steken op de luchthaven van Stockholm. Het komt allemaal door mijn bagage. Ik reis erg licht met mijn laptoprugtas met de essentiële gadgets en een klein sporttasje met kleding en de nodige toiletartikelen. Dat sporttasje moest ik op Schiphol inchecken van een vriendelijk glimlachende, hemelsblauw gemantelpakte tuttebel. Het woog toch echt maar 5 kilo. In het vliegtuig begreep ik waarom. Het zat bomvol. Toch had ik voet bij stuk moeten houden, want dan was ik namelijk niet gestrand in Niemandsland.

Na het inchecken van mijn sporttasje, kreeg ik een bewijsje waarop ik las dat mijn bagage automatisch door zou worden getransfeurd naar Luleå. Dat leek me dan wel weer handig en ik maakte me er maar niet meer druk om. Boven de wolken las ik mijn boek onder het genot van een muffe KLM-sandwich en een kop koffie. Op Stockholm liep ik rustig van de ene kant van het vliegveld naar de andere kant en checkte in voor mijn doorreis naar Luleå. Lekker op tijd belde ik mijn collega maar eens op die al een dag eerder naar Luleå was gereisd. We besloten om nog wat te gaan stappen in Luleå en stemden een tijd af. “Ik moet nog wel eerst mijn bagage ophalen”, zei ik, “dus het duurt ietsje langer dan”.

“Hoezo heb je je bagage dan ingecheckt?”, vroeg mijn collega toen bezorgd. In zijn ervaring kon mijn bagage namelijk niet automatisch worden getransfeurd naar Luleå: “Ik zou het voor de zekerheid maar even uitzoeken”, was zijn advies. En dat heb ik gedaan. Resultaat: mijn sporttas en ik werden gelukkig herenigd, maar mijn vliegtuig naar Luleå was gevlogen. Zonder mij. Ik kon kiezen uit twee alternatieve vluchten. Ik moest er sowieso een nieuw ticket voor kopen. De eerste vertrok over anderhalf uur en de tweede over 4 uur. Het prijsverschil was ongeveer even groot als het verschil in wachttijd. Nederlands calvinisme in volle glorie: ik koos het goedkoopste alternatief en 4 uur wachten op een vliegveld.

Ik ga maar alvast langs customs en struin wat langs de taxfree shops. Er is niets te koop dat ik wil hebben. Ik hang even aan een koffiebar, maar het is er niet gezellig. Voorbij customs beland je in Niemandsland. Het land dat van niemand is en waar iedereen niemand is. Dus het is het land van iedereen. Ik claim er even mijn stukje van. Mijn kont op een harde stoel en mijn voeten op mijn tas. Laptop op schoot en even lekker de tijd wegbloggen. En voor ik het weet mag ik boarden. Het is een avondvlucht. De zon is al mijlen voorbij de horizon. Of ik een isle of een window seat wilde, vroeg de SAS-dame toen ze de nieuwe ticket voor me maakte. Ik nam zonder na te denken de window seat. Principieel heb ik door het raampje naar buiten getuurd. Helaas, geen poollicht gespot.

Opa Guru Willie Nelson

Er kwam een zonderlinge, oude man de camping opgelopen, zwaar leunend op zijn wandelstok vanwege een enorme rugzak op zijn rug. Zijn lange grijze haren wapperden in de wind die van het meer af kwam waaien. Hij begroette ons in het Zweeds met een luid “Hej”. Pal naast ons plekje liet hij zuchtend en steunend zijn hoog opgepakte rugzak van zijn rug glijden. De man rekte zich toen uitgebreid uit, streek zijn grijze haren naar achteren en draaide het handig in een lange paardestaart. Wat een rare oude indiaan, dacht ik. Hij deed me denken aan een andere oude indiaan: Willie Nelson.

Nadat de oude indiaan was uitgerust begon hij heel bedaard zijn hele rugzak uit te pakken. Er kwam een complete één persoons campeeruitrusting uit waaronder een tent die hij al even bedaard maar soepel opzette. Het was zo’n lichtgewicht tunneltentje met drie van die boogstokken erin. Hij zette hem helemaal in elkaar. Toen sleepte hij het tentje theatraal naar een plekje een meter of 10 verderop en pinde het daar met haringen vast. De oude indiaan keek, met zijn handen op zijn heupen, tevreden naar het resultaat. Heel grapping hoor om mij te laten denken dat je pal voor onze tent zou gaan staan met je tent, dacht ik geirriteerd.

De grijze grapjas draaide toen een beetje met zijn heupen en draaide van links naar rechts. En terwijl hij in de richting van het toiletgebouw liep, draaide hij wild zwaaiend mat zijn armen zijn schouders ook even los. Het zag er best soepel uit voor zo’n oude man die lopend met zo’n zware bepakking was aangekomen. Ik vond het er vooral ook nogal  uitsloverig uit zien. Wat een eigenaardige ouwe kerel, dacht ik.

De volgende ochtend, nogal vroeg, hoorde ik ineens een geluid dat verdacht veel leek op dat tuuuuut-geluid dat je hoort als je iemand belt. Blijkbaar had Malle Willie ook een mobieltje bij zich met een handsfree-functie. In de stilte van de ochtend begon de knakker dus uitebreid en handsfree te bellen. Er schalde een nasaal stemmetje over de camping dat Willie nogal luidruchtig en lachend met zijn bromstem beantwoordde. Wat een mafkees, dacht ik.

Die dag zag en hoorde je Willie regelmatig telefoneren. Steeds handsfree, zodat iedereen kon meegenieten. We hoorden verschillende stemmetjes uit zijn telefoon knetteren. Ik verstond er niks van. Al heen en weer wandelende over de camping, met zijn telefoon in de hand op hoogte van zijn borstkas, praatte Willie geannimeerd voor zich uit. Soms moest hij hard lachen, en dan werd er hard meegelachen door de persoon aan de andere kant van de lijn. Neem volgende keer je familie en zakenrelaties toch mee naar de camping, dacht ik.

Op het heetst van de dag – en het was nogal ongebruikelijk heet voor Zweden – kroop Willie Nelson in zijn tent om Siësta te houden. Hij liet de voor en achterflap van zijn tunneltentje wagenwijd open staan. Aan de ene kant zag je zijn grijze hoofd op zijn dunne armen liggen, en aan de andere kant twee oude, blote voeten met pleisters aan zijn grote tenen. Eigenlijk heeft Willie het prima bekeken, dacht ik.

Toen het te donker was om nog te kunnen lezen, en ook omdat de muggen niet van me af konden blijven, kroop ik in mijn slaapzak. Vanuit Willie”s tent klonk toen ineens weer dat getuuuut van zijn telefoon. Dit begon ik langzaamaan erg irritant te vinden. Even later werd er opgenomen. Er klonk een kinderstemmetje van de andere kant van de lijn. En toen begon Willie Nelson ineens te zingen. Heel zachtjes, en heel lief. Het was duidelijk een slaapliedje. Opa zingt een slaapliedje voor zijn kleindochter, dacht ik vertederd. Wat kan een mens zich vergissen, dacht ik daarna.

Opa Nelson vertrok op dezelfde dag van de camping als wij. Ik was als een bezetene alle matjes aan het leegrollen, de slaapzakjes aan het proppen, en onze hele campje aan het afbreken. Opa Nelson deed hetzelfde, maar dan op zijn dooie akkertje. Ineens hoorde ik Opa Willie de Indiaan in uitsteked Duits iets zeggen tegen een Duits echtpaar dat ook op de camping stond. Even later bleek hij ook een behoorlijk mondje Engels te spreken. Toen we van de camping afreden zagen we Opa Nelson weer bepakt en bezakt, verder wandelen. Een brede glimlach op zijn gezicht. Daar gaat een wijze, vriendelijke oude man die intens geniet van het leven, dacht ik.

Een wijze vrouw vertelde me later dat er een oud pelgrimspad langs de bewuste camping (Uskavi Camping by Siggebo/Nora) loopt. Toen ik me dat besefte steeg Opa Willie in mijn achting ineens tot guru.

Powered by ScribeFire.